Dit document is de publieksvriendelijke weergave van de gegevenscatalogus GMW - versie 1.0  - 27 juni 2017

Voor de juridische weergave van de gegevenscatalogus: 20190910 Juridische versie Catalogus Grondwatermonitoringput 1.01.pdf of wetten.nl

1. Inleiding

1.1. Doel en doelgroep

In de basisregistratie ondergrond (BRO) wordt een aantal typen gegevens geregistreerd, de registratieobjecten. Een van de registratieobjecten is de grondwatermonitoringput.
De catalogus is de gegevensdefinitie van de grondwatermonitoringput en beschrijft welke gegevens over dit registratieobject in de BRO zijn opgeslagen. Het document is bedoeld voor alle gebruikers van de BRO en moet duidelijk maken welke gegevens er in het systeem zitten. Aan aanleverende partijen moet het vertellen welke gegevens in de basisregistratie ondergrond moeten komen, en aan afnemende partijen welke gegevens zij in de basisregistratie ondergrond mogen verwachten. Het document is voor een breed publiek bedoeld en de informatie moet naast precies ook begrijpelijk zijn.

1.2. Samenhang met andere documentatie

Voor ieder registratieobject worden de volgende beschrijvende documenten opgesteld:

  • de catalogus;
  • de handboeken voor inname en uitgifte;
  • de koppelvlakbeschrijvingen voor inname en uitgifte.

De catalogus beschrijft de inhoud van de BRO en vormt de basis voor de andere beschrijvende documenten. In de catalogus staan de definities van de gegevens van het registratieobject, de entiteiten en attributen, met een beschrijving van de onderlinge samenhang. Bij de definitie worden de kardinaliteit (het aantal keer dat de het gegeven voorkomt), de regels die in controles worden gebruikt en de waarden die zijn toegestaan vermeld.
Een handboek voor inname of uitgifte beschrijft het proces dat bij inname of uitgifte van gegevens wordt doorlopen. In een handboek worden ook de gegevens gedefinieerd die betrekking hebben op het proces van inname of uitgifte. Om te zien wat er aangeleverd moet worden of wat er uitgeleverd kan worden, heeft men de catalogus nodig.
De koppelvlakbeschrijvingen zijn geschreven voor softwareontwikkelaars. Op basis van de twee vorige typen documenten staat hierin beschreven hoe het registratieobject en de bijbehorende transacties worden vertaald naar het technische koppelvlak dat is gerealiseerd door middel van webservices. De koppelvlakbeschrijving gaat dus in op de technische realisatie van de transacties waarbinnen gegevens van het registratieobject wordt uitgewisseld.
Deze documenten hangen samen zoals hieronder afgebeeld.


 
Figuur 1: Samenhang van de documentatie.

Naast deze documenten is er een document dat het systeem van de BRO als geheel beschrijft met als titel BRO-architectuur. In dat document wordt het ontwerp en de algemene werking van de BRO beschreven. Het document BRO-architectuur is alleen nog in een eerste en prille versie beschikbaar.

1.3. Leeswijzer

Hoofdstuk 1 geeft het doel en de doelgroep, de samenhang met andere documenten en de versiehistorie van deze catalogus.
Hoofdstuk 2 behandelt enkele algemene aspecten van het BRO-systeem en begrippen van algemene aard.
Hoofdstuk 3 legt uit wat de grondwatermonitoringput is, wat de plaats is van het object in de gegevenssystematiek van de basisregistratie ondergrond en vertelt wat de benadering is geweest bij het opstellen van de gegevensdefinitie.
Hoofdstuk 4 geeft de definitie van het registratieobject, van de delen waaruit het is opgebouwd, de entiteiten, en van de eigenschappen van die delen, de attributen.
Hoofdstuk 5 ten slotte geeft de definitie van de enumeraties en codelijsten waarnaar in hoofdstuk 4 verwezen wordt.

1.4. Versiehistorie

Versie

Datum

Omschrijving

0.6

Augustus 2015

Versie gebruikt voor de pilot GMW.

0.7

18 oktober 2016

Versie voor de ketentest en publieke consultatie.

0.8

10 april 2017

Interne versie waarin het commentaar uit de publieke consultaties van versie 0.7 en de AMvB, en de gevolgen van de consolidatie van het systeem zijn verwerkt.

0.9

15 mei 2017

Versie waarin de gegevens over de beschermconstructie zijn toegevoegd.

0.91

23 mei 2017

Versie waarin het gegeven putcode is toegevoegd.

1.0

20 juni 2017

Versie vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

1.5. Contactinformatie

Algemene informatie en documentatie over de BRO kunt u vinden op https://basisregistratieondergrond.nl/

Heeft u een vraag over de BRO? Wij staan voor u klaar om u te helpen. Voor vragen, suggesties of opmerkingen kunt contact opnemen met de BRO Servicedesk via een mail naar support@broservicedesk.nl.

Of bel ons op telefoonnummer 088 - 8664 999. Wij zijn bereikbaar op werkdagen van 8.00 tot 17.00 uur.

2. Algemene kenmerken en begrippen

2.1. Opzet van het systeem

De basisregistratie ondergrond is een systeem dat een schakel vormt in een informatieketen. Aan het begin van de keten staan bestuursorganen die opdracht geven tot de productie van gegevens, of zelf gegevens produceren. Die bestuursorganen worden bronhouders genoemd. De geproduceerde gegevens worden door een dataleverancier geleverd aan de beheerder van het systeem, de registerbeheerder. De bronhouder is verantwoordelijk voor de levering van gegevens. Hij kan besluiten zelf dataleverancier te zijn of andere partijen een machtiging voor levering te verlenen. De beheerder van de BRO registreert de aangeleverde gegevens en levert ze voor (her)gebruik door aan allerlei afnemers.
De opzet van het systeem moet begrepen worden vanuit de verantwoordelijkheden die in de keten zijn belegd. De aangeleverde gegevens vallen onder de verantwoordelijkheid van de bronhouder en de registerbeheerder mag die gegevens niet veranderen. De registerbeheerder moet echter wel gegevens toevoegen om het systeem te kunnen beheren en hij kan gegevens toevoegen om de afnemers goed van dienst te kunnen zijn.
Bij wet is geregeld dat de basisregistratie ondergrond zo wordt opgezet dat er onderscheid bestaat tussen de gegevens die aan de registerbeheerder zijn aangeleverd en de gegevens die de registerbeheerder aan de afnemers verstrekt. Het systeem valt uiteen in twee grote deelsystemen, het register brondocumenten ondergrond en de registratie ondergrond (zie figuur 2).

Figuur 2: De twee grote deelsystemen van de BRO.

Een geheel van gegevens dat door of onder verantwoordelijkheid van een bronhouder wordt aangeleverd, wordt een brondocument genoemd. De brondocumenten worden in het register brondocumenten ondergrond opgeslagen. De gegevens uit de brondocumenten worden samen met de gegevens die de registerbeheerder toevoegt in de registratie ondergrond vastgelegd. De registratie ondergrond is het deelsysteem dat gebruikt wordt voor uitgifte.
Met deze opzet verkrijgt het systeem de nodige flexibiliteit. Zo kan een object in de registratie ondergrond gegevens bevatten die uit meer dan één brondocument afkomstig zijn en bij uitgifte kunnen gegevens van verschillende objecten met elkaar gecombineerd worden. Ook is het mogelijk met het brondocument gegevens op te slaan die alleen voor de bronhouder en de aanleverende partij van belang zijn.
De gegevensdefinitie dekt alle gegevens die opgenomen zijn in de registratie ondergrond. Verreweg de meeste gegevens komen uit de brondocumenten die de dataleverancier aanlevert en een paar gegevens komen voort uit de overdracht van een brondocument aan de registerbeheerder. Aan de aangeleverde gegevens worden enkele gegevens door de registerbeheerder toegevoegd. Als een gegeven is toegevoegd door de BRO wordt dat in de beschrijving expliciet vermeld.
Alle gegevens in de registratie ondergrond worden uitgegeven, maar niet alle afnemers kunnen alle gegevens geleverd krijgen. De gegevens die niet aan alle afnemers worden uitgeleverd zijn de gegevens die alleen nodig zijn in de communicatie tussen de registerbeheerder enerzijds en de dataleveranciers en bronhouders anderzijds.

2.2. Registratieobject

Het registratieobject is dé eenheid in de data-architectuur van de basisregistratie ondergrond. Voor de registerbeheerder is het de elementaire bouwsteen van het systeem dat hij moet beheren.
Een registratieobject verwijst naar een eenheid van informatie die onder de verantwoordelijkheid van één bronhouder valt en die met een bepaald doel is of wordt gemaakt. Het is in directe of indirecte zin gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een registratieobject een plaats op het aardoppervlak heeft of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een plaats op het aardoppervlak.
Een registratieobject is niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd gedefinieerd. Het leven van een registratieobject begint op het moment dat de gegevens zijn geregistreerd en dat is zo kort mogelijk nadat de gegevens zijn geproduceerd. De levensduur van een registratieobject, en de veranderlijkheid van de gegevens verschilt van object tot object. Een grondwatermonitoringput kan tientallen jaren gebruikt worden voor het meten van grondwaterstanden en in de periode kunnen er nieuwe gegevens ontstaan. Dat betekent dat de gegevens van de put in de registratie ondergrond gedurende zijn hele levensduur bijgewerkt moeten kunnen worden. Aan de andere kant van het spectrum staan de objecten waarvan alle gegevens in een keer worden vastgelegd. Geotechnisch sondeeronderzoek is daar een voorbeeld van. Sondeeronderzoek is eenmalig onderzoek en het resultaat ervan kan al na een of enkele dagen aan de bronhouder worden overhandigd.

2.3. Registratiedomein

Registratieobjecten worden in de basisregistratie ondergrond gegroepeerd in domeinen. Vooralsnog worden zes domeinen onderscheiden:

  • bodem- en grondonderzoek
  • bodemkwaliteit
  • grondwatermonitoring
  • grondwatergebruik
  • mijnbouwwet
  • modellen.

De domeinen zijn vanuit het oogpunt van beheer van belang voor de ordening van het systeem. Daarnaast zijn zij nuttig in de communicatie met de partijen die bij de realisatie van het systeem betrokken zijn.

2.4. Kwaliteitsregime

In de basisregistratie ondergrond worden niet alleen gegevens geregistreerd die dateren van na de datum waarop de wet van kracht is geworden. Ook oudere gegevens zullen in de basisregistratie ondergrond worden opgenomen. De noodzaak daartoe ligt in de wet verankerd. Die schrijft voor dat de gegevens uit de eerder bestaande systemen DINO en BIS zo veel mogelijk naar de BRO moeten worden overgezet. Verder staat de wet toe dat bronhouders tot vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet historische gegevens ter registratie mogen aanbieden.
Historische gegevens kunnen niet altijd voldoen aan de strikte regels die de BRO stelt. Zo kan het voorkomen dat voor gegevens die volgens de strikte regels van de BRO verplicht zijn, geen waarde bekend is. Om de verwerking van de twee categorieën gegevens naast elkaar mogelijk te maken, worden twee kwaliteitsregimes gehanteerd. Voor de aanlevering van gegevens volgens de strikte regels geldt het IMBRO-regime. Bij de aanlevering van historische gegevens wordt geaccepteerd dat een aantal formeel verplichte gegevens geen waarde heeft. Voor deze gegevens wordt het IMBRO/A-regime gehanteerd en dat kent dus minder strikte regels.
De introductie van de twee kwaliteitsregimes geeft de bronhouder gedurende een bepaalde periode een zekere mate van vrijheid. Het kan bijvoorbeeld praktisch blijken het IMBRO/A-regime te hanteren voor gegevens die weliswaar pas na de datum waarop de wet in werking is getreden zijn geproduceerd maar die voortkomen uit opdrachten die al voor die datum zijn gegeven. Ook kan het voorkomen dat historische gegevens wel aan alle strikte voorwaarden voldoen en dan is het wenselijk de gegevens onder IMBRO-regime aan te leveren.
De periode waarin de bronhouders die vrijheid hebben wordt de transitieperiode genoemd. Over de duur van de transitieperiode zijn nog geen afspraken gemaakt. Na afloop van de transitieperiode kan alleen onder het strikte IMBRO-regime worden aangeleverd.

2.5. Formele en materiële geschiedenis

De basisregistratie ondergrond maakt deel uit van een stelsel van basisregistraties. Binnen het stelsel maakt men onderscheid tussen de materiële geschiedenis en de formele geschiedenis van een object.
Het begrip materiële geschiedenis wordt gebruikt om de veranderingen van eigenschappen van een object in de werkelijkheid aan te duiden. De materiële geschiedenis van een object wordt, voor zover relevant, in de registratie ondergrond vastgelegd. Niet alle registratieobjecten hebben een materiële geschiedenis, alleen de objecten met een levensduur, zoals de grondwatermonitoringput.
Het begrip formele geschiedenis wordt gebruikt voor de veranderingen van eigenschappen van een object in de registratie zelf. De meeste van die veranderingen gaan terug op een verandering van eigenschappen in de werkelijkheid, en de formele geschiedenis geeft aan wanneer de veranderingen in het systeem geregistreerd zijn. De formele geschiedenis kent ook gebeurtenissen die niet het gevolg zijn van een verandering in de werkelijke eigenschappen van een object. Die gebeurtenissen hebben betrekking op correcties. Het kan gebeuren dat een bronhouder erachter komt dat er een onjuiste waarde was geregistreerd en dan zorgt hij ervoor dat die verbeterd wordt. De registratie van de verbetering is een formele gebeurtenis.
Alle registratieobjecten hebben een formele geschiedenis en die wordt in de registratie ondergrond globaal vastgelegd in de registratiegeschiedenis van het object. Globaal wil zeggen dat de registratie ondergrond alleen een overzicht van de formele geschiedenis geeft. Voor de details moet het register brondocumenten ondergrond worden geraadpleegd.
Bij correctie wordt het betreffende gegeven in de registratie ondergrond overschreven en is de oude waarde van het gegeven niet meer direct beschikbaar voor de afnemers.
Zou een afnemer toch willen weten wat de eerdere foute waarde was, dan moet hij het register brondocumenten ondergrond raadplegen.

2.6. Coördinaten en referentiestelsels

De registratieobjecten van de basisregistratie ondergrond zijn gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een object zelf een plaats op het aardoppervlak, een locatie, heeft, of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een locatie. Afhankelijk van het type registratieobject, wordt de locatie geregistreerd als een punt, een lijn of een vlak.
De locatie is de horizontale positie van een object. Voor bepaalde objecten is het voldoende dat alleen die horizontale positie wordt vastgelegd, maar voor veel objecten is ook de verticale positie van belang.
Posities worden vastgelegd in coördinaten en die zijn gedefinieerd in een bepaald referentiestelsel.
Er zijn verschillende typen referentiestelsels. Zo spreekt men van horizontale referentiestelsels (2D), verticale referentiestelsels (1D), gecombineerde referentiestelsels (2D, 1D) en werkelijke 3D referentiestelsels. In Nederland worden de horizontale en de verticale component van een positie in een afzonderlijk stelsel uitgedrukt. Het is vandaag de dag mogelijk met gps een positie in een 3D-referentiestelsel vast te leggen, maar de wens over te stappen op het gebruik van 3D is nog door geen van de partijen die betrokken zijn bij de basisregistratie ondergrond naar voren gebracht.

2.6.1. R eferentie stelsels voor de horizontale positie

In Nederland zijn traditioneel verschillende referentiestelsels voor de horizontale positie in gebruik. In 2009, bij de eerste voorbereidingen voor de totstandkoming van de basisregistratie ondergrond, is al vastgesteld dat de verscheidenheid aan referentiestelsels de basisregistratie ondergrond voor problemen stelt omdat de registratie dan niet gemakkelijk op een eenduidige manier bevraagd kan worden. In de registratie ondergrond worden namelijk zowel gegevens met een locatie op land als gegevens met een locatie op zee geregistreerd. In de toenmalige praktijk werden op land en op zee verschillende stelsels gebruikt. Op land werd RD gebruikt en op zee waren verschillende stelsels in gebruik, waarvan WGS84 de belangrijkste was.
In 2009 was ook al bekend dat de Europese kaderrichtlijn INSPIRE de lidstaten vraagt de gegevens in Europa in één referentiestelsel uit te gaan wisselen, te weten in ETRS89. Met dat in gedachten, is het besluit genomen het BRO-systeem zo in te richten dat de registratie bevraagd gaat worden in ETRS89.
Het besluit wordt ondersteund door ontwikkelingen in Nederland. Sinds 2013 wordt er door de drie belangrijkste autoriteiten in Nederland op het gebied van referentiestelsels, het Kadaster, de Dienst der Hydrografie en Rijkswaterstaat, gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe afspraken. Die afspraken moeten in lijn zijn met Europese afspraken en leiden tot heldere en eenduidige transformatieprocedures tussen referentiestelsels. Concreet betekent dit dat in Nederland op termijn het ETRS89-stelsel als standaard zal worden gehanteerd voor het uitwisselen van geo-informatie.
Het besluit betekent niet dat de gegevens ook in ETRS89 aangeleverd moeten worden. De basisregistratie ondergrond voorziet een periode van transitie waarin de aanleverende partijen zelf bepalen wanneer zij overstappen op ETRS89. Die periode zal naar verwachting jaren duren. Om de transitie te ondersteunen hanteert de basisregistratie ondergrond de volgende spelregels:

  • Gegevens mogen in een beperkt aantal referentiestelsels worden aangeleverd (RD, WGS84 en ETRS89).
  • Voor locaties op land wordt alleen RD of ETRS89 toegestaan.
  • Voor locaties op zee wordt alleen WGS84 of ETRS89 toegestaan.
  • De aangeleverde coördinaten worden in de registratie opgeslagen.
  • De aangeleverde coördinaten worden door de basisregistratie ondergrond getransformeerd naar het ETRS89 referentiestelsel.
  • De getransformeerde coördinaten worden naast de aangeleverde coördinaten opgeslagen.
  • Bij de getransformeerde coördinaten wordt ook een identificatie van de gebruikte transformatiemethode opgeslagen.
  • Als de coördinaten in ETRS89 zijn aangeleverd, dan staat bij aangeleverde en getransformeerde positie dezelfde informatie. Voor de locatie worden de getransformeerde coördinaten en de aangeleverde coördinaten beide aan de afnemers verstrekt.

2.6.2. R eferentie stelsels voor de verticale positie

In Nederland zijn voor verticale posities op land en zee verschillende referentiestelsels in gebruik. Op land wordt NAP gebruikt. Op zee is het in de voor de BRO relevante werkvelden gebruikelijk posities uit te drukken t.o.v. het gemiddeld zeeniveau (MSL, Mean Sea Level), maar posities t.o.v. LAT komen ook voor (Lowest Astronomical Tide). Dit laatstgenoemde stelsel wordt in de kaderrichtlijn INSPIRE genoemd als het stelsel van voorkeur voor het uitdrukken van verticale posities op zee. De basisregistratie ondergrond staat daarom op zee het gebruik van LAT naast MSL toe. Aangeleverde verticale posities worden door de BRO niet getransformeerd.

2.7. Gegevens op land en op zee

De basisregistratie ondergrond bevat gegevens over de ondergrond van Nederland en zijn zgn. Exclusieve Economische Zone (EEZ). De EEZ is het gebied op de Noordzee waar Nederland economische rechten heeft. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het van belang te weten of de locatie van een object op zee of op land ligt.
Als scheidingslijn tussen land en zee wordt in de basisregistratie ondergrond de UNCLOS-basislijn gehanteerd. Het beheer van de basislijn valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst der Hydrografie van het ministerie van Defensie. Deze dienst voert die taak uit op basis van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties uit 1982, dat in het Engels de United Nations Convention on the Law of the Sea (UNCLOS) heet.
De basislijn is opgebouwd uit de nulmeterdieptelijn zoals weergegeven op de zeekaarten en enkele rechte basislijnen die onder meer de monding van de Westerschelde en de wateren tussen de Waddeneilanden afsluiten.
De grens tussen land en zee is veranderlijk. De Dienst der Hydrografie stelt de grens opnieuw vast wanneer daartoe voldoende aanleiding is. De BRO hanteert bij inname de meest recente versie van de UNCLOS-basislijn en controleert daarmee of de juiste referentiestelsels gebruikt worden.
Tussen het moment waarop de locatie van een object wordt bepaald en het moment waarop het gegeven in de basisregistratie ondergrond wordt vastgelegd verloopt enige tijd. In die periode kan de positie van de UNCLOS-basislijn opnieuw zijn vastgesteld, en dan ontstaat er een discrepantie die bij het aanleveren van gegevens tot problemen kan leiden. Wanneer een dergelijk probleem zich voordoet, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.
Een soortgelijk probleem doet zich voor met betrekking tot de begrenzing van Nederland, met name van het Nederlands territoir. De grenzen van Nederland worden ieder jaar op 1 januari vastgesteld door het Kadaster en vastgelegd in de basisregistratie kadaster. De BRO controleert bij inname of een object in het gebied ligt dat Nederland en zijn Exclusieve Economische Zone omvat, en hanteert daarbij de actuele grenzen. Ook bij problemen die te herleiden zijn tot een verandering in de begrenzing van Nederland, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

2.8. Nauwkeurigheid van getalswaarden

Voor zinvol gebruik van gegevens met een getalswaarde is het noodzakelijk dat de nauwkeurigheid van die gegevens bekend is.
Het begrip nauwkeurigheid laat zich in deze context het best omschrijven als de juistheid van een gemeten of berekende waarde. In de meeste processen waarin de waarde van een gegeven wordt bepaald, kan de afwijking van de daadwerkelijke waarde slechts via een kalibratie- of statistisch proces worden verkregen. Het resultaat omvat dan niet alleen een van de mogelijke realisaties van een meetwaarde maar ook informatie over de mogelijke spreiding van de meetwaarden.
De basisregistratie ondergrond gaat ervan uit dat de producenten van gegevens de metingen en berekeningen uitvoeren binnen een stelsel van afspraken dat binnen het desbetreffende werkveld is vastgelegd. Uitgangspunt is dat ook de eisen waaraan de gegevens op het gebied van nauwkeurigheid moeten voldoen in afspraken zijn vastgelegd. Dat kunnen praktische werkafspraken zijn, maar ook afspraken die vertaald zijn naar ISO- en NEN-normen. In de gegevensdefinitie wordt in beginsel verwezen naar die normen. Waar deze normen niet voorzien in afspraken over de nauwkeurigheid, stelt de basisregistratie ondergrond hieraan specifieke eisen. Deze zijn dan vermeld in de gegevensdefinitie.

2.9. Authentiek gegeven

In de wet is een aantal gegevens expliciet als authentiek aangeduid. Dit wordt in de gegevensdefinitie nader uitgewerkt; verreweg de meeste gegevens zijn authentiek.
Met de aanduiding authentiek wordt, zoals geformuleerd in de memorie van toelichting op de wet, tot uitdrukking gebracht dat:

  1. Het gegeven in samenhang met andere gegevens door een groot aantal bestuursorganen in verschillende processen wordt gebruikt en derhalve bestemd is voor informatie-uitwisseling tussen bestuursorganen;
  2. de verantwoordelijkheid voor betrouwbaarheid van het gegeven eenduidig geregeld is;
  3. het gegeven onderworpen is aan intern en extern kwaliteitsonderzoek, en
  4. het gegeven zich leent voor verplicht gebruik door bestuursorganen en eenmalige verstrekking door burgers en bedrijven aan de overheid.

In de praktijk mag een gebruiker van de gegevens ervan uitgaan dat alle gegevens correct zijn. De gegevensdefinitie moet de gebruiker alle informatie geven die voor een goed begrip daarvan nodig is.
Heeft een gebruiker echter gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven dan wordt verwacht dat hij de registerbeheerder daarvan op de hoogte brengt. Bestuursorganen zijn, bij gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven (of het ontbreken ervan), zelfs verplicht daarvan melding te maken.
Voor alle gegevens is aangegeven of ze authentiek zijn. Ook is voor alle gegevens aangegeven of ze een waarde moeten hebben. Dat laat zien dat er gegevens kunnen zijn die authentiek zijn maar geen waarde hoeven te hebben. Juist omdat er verplichtingen gelden t.a.v. authentieke gegevens, vraagt dit om een korte toelichting.
Wanneer een authentiek gegeven geen waarde heeft moet de gebruiker ervan uitgaan dat het gegeven niet is geproduceerd. Dat geval kan zich uiteraard alleen voordoen wanneer er vrijheid van beslissen bestaat bij de bronhouder of de producent.
Voor de duidelijkheid, als er wel een waarde is dan moet die ook in de BRO worden opgenomen. Bij gerede twijfel over het ontbreken van een waarde, moet een bestuursorgaan dat melden.

3. Grondwatermonitoringput

3.1. Grondwatermonitoring

De grondwatermonitoringput is een van de registratieobjecten in het domein grondwatermonitoring. In dit domein staan de monitoringnetten centraal die zijn ingesteld om het grondwater in Nederland te kunnen beheren. Grondwater is een belangrijke bestaansbron, en het beheer van het grondwater richt zich op de hoeveelheid bruikbaar grondwater en de kwaliteit ervan. Het doel waarvoor een monitoringnet is ingesteld, het monitoringsdoel, beperkt zich in veel gevallen tot kwantiteit of kwaliteit, maar het komt ook voor dat beide aspecten door hetzelfde net worden gedekt.
Monitoring houdt in dat de toestand van het grondwater in een bepaald gebied, of eigenlijk in een bepaald deel van de ondergrond, over langere tijd gevolgd wordt. De uitgestrektheid van het gebied en de diepte van monitoring verschillen per monitoringnet. Ook de duur van monitoring wisselt sterk.
In het besluit basisregistratie ondergrond is omschreven welke vormen van monitoring onder deze basisregistratie vallen. Het belangrijkste criterium is het type organisatie dat verantwoordelijk is voor het beheer van het grondwater. De grondwatermonitoring moet door of in opdracht van een bestuursorgaan, de bronhouder, worden uitgevoerd. Verder is er een beperking aan de tijdschaal gesteld. Wanneer een monitoringnet is ingesteld om de toestand van het grondwater over een periode van ten minste één jaar te volgen, valt het altijd onder de basisregistratie ondergrond. Voor monitoringsnetten met een kortere duur maakt het bestuursorgaan zelf de afweging of het in de basisregistratie moet worden opgenomen. De periode van een jaar is lang genoeg voor het uitfilteren van de effecten van kleinschalige en kortdurende invloeden, zodat de informatie die in de basisregistratie wordt vastgelegd blijvende gebruikswaarde heeft. Aan de ruimtelijke schaal van monitoring zijn voor de basisregistratie ondergrond geen grenzen gesteld.
Ieder grondwatermonitoringnet omvat een aantal meetpunten. Bijna alle meetpunten zijn gekoppeld aan putten, de grondwatermonitoringputten. Naast putten kunnen ook bronnen gebruikt worden in de grondwatermonitoring. Een bron is een locatie waar het grondwater spontaan uittreedt aan het maaiveld. Wat er in de punten gemeten wordt hangt af van het monitoringdoel. Wanneer het om kwantiteit gaat, worden grondwaterstanden gemeten, bij kwaliteit gaat het om de samenstelling van het grondwater.
Een grondwatermonitoringput wordt gewoonlijk gerealiseerd door een gat in de ondergrond te boren om het grondwater te ontsluiten. In het gat wordt een constructie aangebracht die voor het meetdoel is ingericht. Grondwaterstanden worden werkelijk in de put gemeten, bij grondwatersamenstelling is het meetpunt eerder een bemonsteringspunt. Er worden grondwatermonsters genomen die vervolgens in een laboratorium worden geanalyseerd.
De grondwaterstanden en de analysegegevens van de laboratoria vormen ieder een registratieobject. Zij vormen het onderzoek dat de basis legt voor alle monitoring. Uit de basisgegevens kunnen interpretaties, syntheses, worden afgeleid die weer nieuwe typen registratieobjecten zijn.
Samenvattend omvat het domein grondwatermonitoring de volgende zes registratieobjecten:

  • grondwatermonitoringnet
  • grondwatermonitoringput
  • grondwatersamenstellingsonderzoek
  • grondwaterstandonderzoek
  • synthese grondwaterkwaliteit
  • synthese grondwaterkwantiteit.

De registratieobjecten hebben in de registratie ondergrond relaties met elkaar (figuur 3). Alleen het grondwatermonitoringnet en de grondwatermonitoringput hebben eigen locaties. De vier andere objecten zijn aan de twee andere objecten gekoppeld en daarmee aan een locatie.

Figuur 3: Relaties tussen registratieobjecten, met binnen het rode kader de grondwatermonitoringput. De relaties tussen syntheses en de overige registratieobjecten zijn nog onvoldoende uitgewerkt en daarom niet weergegeven.

3.2. Registratieobject Grondwatermonitoringput

Een registratieobject is de belangrijkste eenheid van informatie in de basisregistratie ondergrond. Een registratieobject bestaat uit delen (entiteiten), en de delen hebben eigenschappen (attributen). Om de grondwatermonitoringput als informatieobject te definiëren is een bepaalde benadering gevolgd en die wordt kort toegelicht.
Gewoonlijk bestaat een put uit een samenstel van buizen dat aan het oppervlak wordt beschermd tegen invloeden van buitenaf (figuur 4). Via de buizen wordt het grondwater dat zich op een bepaalde diepte bevindt ontsloten. Het deel van de buis waardoor het grondwater binnen kan komen is het filter. Een filter fungeert als meetpunt in een grondwatermonitoringnet. Aan een buis kunnen een of meer geo-ohmkabels zijn bevestigd. Dat zijn kabels die voorzien zijn van elektroden die gebruikt worden om bijvoorbeeld het zoutgehalte van het water te kunnen bepalen.
Een grondwatermonitoringput wordt in de basisregistratie ondergrond opgenomen wanneer ten minste een van de filters of elektroden een meetpunt is in een grondwatermonitoringnet dat onder de basisregistratie ondergrond valt.

Figuur 4: Schematische weergave van een grondwatermonitoringput met twee monitoringbuizen; de verticaal gearceerde delen zijn de filters.

De grondwatermonitoringput is een object dat vanuit het gebruik van de informatie twee verschillende gezichtspunten kent. Voor sommige gebruikers is een put een constructie in de ondergrond. Het feit dat de constructie bestaat en de eigenschappen van de constructie zijn gegevens die van betekenis zijn bij bijvoorbeeld het ontwerpen van nieuwe monitoringnetten of bij het plannen van infrastructurele projecten. Vanuit het gezichtspunt van andere gebruikers vertegenwoordigt een put alleen een aantal meetpunten in een monitoringnet. Voor hen is vooral de positie van het meetpunt van belang.
De definitie van het registratieobject grondwatermonitoringput is vanuit de combinatie van deze twee perspectieven gemaakt. Het doel is daarbij geweest het tweede gezichtspunt volledig te dekken en de put als constructie tot zijn essentie terug te brengen.

3.3. Putten met voorgeschiedenis

De grondwatermonitoringput is een registratieobject met materiële geschiedenis. Voordat de put in de registratie ondergrond is opgenomen kan hij al een zekere geschiedenis achter de rug hebben. Een dergelijke grondwatermonitoringput wordt een put met voorgeschiedenis genoemd.
Er gelden bijzondere regels voor een put met voorgeschiedenis en die vallen niet samen met het kwaliteitsregime IMBRO/A.
De bijzondere regels hebben betrekking op de opbouw van de materiële geschiedenis. De geschiedenis van een grondwater-monitoringput is een reeks van gebeurtenissen die elkaar netjes moeten opvolgen in de tijd. Vanaf het moment dat de wet in werking treedt geldt de eis dat de precieze datum van een gebeurtenis bij registratie moet worden meegegeven, ongeacht het kwaliteitsregime van het brondocument. Die eis kan niet met terugwerkende kracht gelden. Wanneer een gebeurtenis in het verleden ligt, moet de basisregistratie er rekening mee houden dat de datum niet precies is vastgelegd en bijvoorbeeld alleen het jaar bekend is. Het deel van de geschiedenis die dateert van voor de registratie, de voorgeschiedenis, mag daarom een zekere onvolledigheid kennen.
De registratie van putten met voorgeschiedenis is nauw verbonden met de conversie van gegevens uit bestaande systemen. Op het moment dat de wet in werking treedt zullen de grondwatermonitoringputten uit het systeem DINO in de BRO geregistreerd zijn als putten met voorgeschiedenis. Aan de DINO naar BRO-conversie gaat een proces van zorgvuldige voorbereiding vooraf. De basisregistratie ondergrond is erop ingericht dat dergelijke projecten ook zullen worden uitgevoerd met andere dataleveranciers.

3.4. Het registreren van gegevens

Het leven van een put begint op het moment dat de constructie voltooid is en eindigt op het moment dat de put is opgeruimd. Tijdens zijn bestaan kan de put veranderingen ondergaan, bijvoorbeeld doordat er onderhoud wordt gepleegd aan de constructie. Ook kan de positie van de delen van de put die als meetpunt fungeren in de loop van de tijd veranderen, bijvoorbeeld als gevolg van bodemdaling.
De gegevens over de gebeurtenissen in het leven van een grondwatermonitoringput, worden zo snel mogelijk in de registratie ondergrond geregistreerd. Welke gegevens dat zijn hangt af van de gebeurtenis.
Zodra de constructie van de put voltooid is en de gegevens door of voor de bronhouder zijn vastgelegd, kan het registreren van gegevens beginnen. Bij het starten van de registratie biedt de dataleverancier een brondocument aan dat alle gegevens bevat die de put beschrijven; dat brondocument heet GMW-Inrichten. Wanneer het proces van registratie vervolgd wordt omdat zich in de werkelijkheid een bepaalde gebeurtenis heeft voorgedaan, biedt de dataleverancier de nieuwe gegevens ter registratie aan. Dit wordt het aanvullen van de registratie genoemd, tenzij de gebeurtenis het opruimen van de put betreft. Is dat laatste het geval dan wordt het begrip beëindigen van de registratie gebruikt. Bij aanvullen heeft de dataleverancier de keuze uit elf verschillende brondocumenten. Het brondocument dat bij het opruimen van de put hoort heet GMW-Opruimen. Na het beëindigen van de registratie kunnen geen nieuwe gegevens meer worden aangeleverd. Wel kunnen er fouten worden hersteld. De inhoud van de brondocumenten wordt uitgebreid behandeld in het innamehandboek.

3.5. Domeinmodel

Modellering van informatie kent verschillende invalshoeken. In een catalogus wordt het inhoudelijke perspectief gekozen omdat dat met name waarde heeft in de communicatie tussen mensen. Een dergelijk model wordt in de basisregistratie ondergrond een domeinmodel genoemd. Uit het domeinmodel wordt een technisch model afgeleid dat ook meeweegt dat informatiesystemen efficiënt met elkaar moeten kunnen communiceren. Het meer technische model heet productmodel en dat staat aan de basis van de technische documentatie.
Een domeinmodel is een hulpmiddel dat het makkelijker maakt de informatie-inhoud te definiëren. Het geeft ook een goed overzicht van het geheel aan gegevens en om die reden is het domeinmodel opgenomen in de gegevensdefinitie van een registratieobject. Voor het domeinmodel wordt de UML-notatie gebruikt. Met kennis van de gebruikte symbolen is het gemakkelijk te lezen. In hoofdstuk 4 worden de gegevens in het model nader beschreven.
Het domeinmodel (figuur 5) beschrijft het object grondwatermonitoringput zoals dat in de registratie ondergrond is vastgelegd. Het model beschrijft een object dat voldoet aan het strikte kwaliteitsregime (IMBRO). Eventuele bijzonderheden voor IMBRO/A zijn niet in het domeinmodel zichtbaar, maar worden bij de uitwerking in hoofdstuk 4 wel expliciet beschreven. Het domeinmodel laat ook zien welke gegevens alleen aan de dataleverancier en de bronhouder worden uitgeleverd.
In het domeinmodel wordt de kardinaliteit van attributen en entiteiten gegeven. De kardinaliteit geeft aan hoe vaak een gegeven voorkomt. De meeste gegevens hebben kardinaliteit 1 en dat betekent dat een gegeven precies een keer voorkomt. Sommige gegevens mogen een of meer keer voorkomen, die hebben kardinaliteit 1.., in een geval 2... Een derde categorie vormen de gegevens die kardinaliteit 0..1 hebben. Een dergelijk gegeven komt 1 keer voor of niet. De laatste categorie heeft kardinaliteit

 

Figuur 5: Domeinmodel Grondwatermonitoringput.

Leeswijzer
Attribuut
+

wordt uitgeleverd  aan alle afnemers

-

wordt alleen uitgeleverd

aan bronhouder/  dataleverancier

Kardinaliteit

[1]

komt 1 keer voor


[1..*]

komt 1 of meer  keer voor


[0..1]

komt 1 keer of niet voor


[0..*]

komt 1 keer, meer keer, of niet voor



0..*, en een dergelijk gegeven kan 0, 1 of meer keren voorkomen.
In het domeinmodel is de kardinaliteit van entiteiten consequent opgenomen; alle varianten komen voor. Bij attributen komen maar twee varianten voor, kardinaliteit 1 en kardinaliteit 0..1. Om het geheel overzichtelijk te houden is de standaardwaarde kardinaliteit 1 niet opgenomen, en wordt
alleen kardinaliteit 0..1 vermeld.
De kardinaliteit in het domeinmodel moet overigens altijd in samenhang met de regels die in de definitie van het gegeven zijn opgenomen worden begrepen. De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. Eigenschappen waarvan de waarde in de loop van de tijd kan veranderen en waarvan voor iedere waarde de periode van geldigheid in de registratie wordt vastgelegd, worden in de basisregistratie ondergrond dynamische eigenschappen genoemd. Wanneer de waarde van een dynamische eigenschap verandert als gevolg van een bepaalde gebeurtenis, bouwt zich in de registratie ondergrond een tijdreeks op. In het domeinmodel worden de dynamische eigenschappen als een aparte categorie getoond.
Om het model makkelijker te kunnen lezen wordt hier een globale beschrijving van het registratieobject en de belangrijkste entiteiten gegeven.

3.5.1. Grondwatermonitoringput

Een grondwatermonitoringput is een constructie die op een specifieke locatie in Nederland is ingericht als onderdeel van een monitoringnet. De opbouw van een put varieert en de monitoringdiepte is daarbij een factor van belang. Wordt de put gebruikt voor de monitoring van het grondwater in het bovenste deel van de ondergrond, dan bestaat hij vaak uit niet meer dan een buis die aan de bovenzijde met een dop is afgesloten.
Voor het ontsluiten van diep grondwater worden soms honderden meters diepe gaten geboord en dat is een relatief kostbare operatie. Dergelijke putten kunnen tientallen monitoringbuizen bevatten. Elk van die buizen ontsluit grondwater op een andere diepte. De ruimte tussen de buizen is met een bepaald materiaal opgevuld om het geheel te verstevigen en aan de bovenzijde wordt de put afgesloten met een beschermconstructie (figuur 4). Zoals de naam al aangeeft dient de beschermconstructie om de put te beschermen tegen beschadiging of andere ongewenste invloeden. De constructie is kan boven het maaiveld uitsteken, zoals in figuur 4, maar ook min of meer samenvallen met het maaiveld. Voor het laatste wordt in de gebouwde omgeving vaak gekozen.

3.5.2. Monitoringbuis

De constructie van een put is in de basisregistratie ondergrond teruggebracht tot haar essentie, en dat geldt ook voor de monitoringbuis. In werkelijkheid kan een buis bestaan uit een heleboel delen die wat materiaal, diameter en functie betreft verschillen. Het model dat de basisregistratie hanteert is simpel en beschrijft de buis als opgebouwd uit maximaal drie functionele delen (figuur 6).



Figuur 6: Voorbeeld van een put met één buis in het veld (links) en hoe die in de BRO (rechts) wordt vastgelegd.

In de meeste gevallen bestaat een buis uit een filter met daarboven een stijgbuisdeel; in sommige gevallen zit onder het filter nog een derde deel, de zandvang. Ieder deel van de buis heeft een bepaalde lengte.
Het filter is het belangrijkste onderdeel van de buis en fungeert als meetpunt in een grondwatermonitoringnet. Via het filter kan het grondwater de buis in stromen. In het stijgbuisdeel kan het grondwater vrijelijk bewegen tenzij de buis is afgesloten met een drukdop (figuur 7). Een drukdop wordt gebruikt wanneer de buis zou kunnen overstromen doordat het water onder druk staat. Wanneer de grondwaterstand bepaald moet worden, wordt in die gevallen vaak een opzetstuk gebruikt.
De zandvang dient om sediment op te vangen dat door het filter naar binnen komt.


Figuur 7: Monitoringbuis voorzien van een drukdop (links), en gebruik van een opzetstuk voor het uitvoeren van een grondwaterstandmeting (rechts)

Voor de monitoring van ondiep grondwater zijn buizen met een afwijkende opbouw in gebruik, en in gebruik geweest.
In het verleden zijn monitoringbuizen gebruikt die uit beton bestonden en geen filteropeningen hadden. Een dergelijke buis was eigenlijk alleen een stijgbuis en werd zo in het boorgat gehangen dat het water aan de onderzijde kon instromen. Zulke buizen zijn niet meer in gebruik. Ook waren er buizen in gebruik die over de gehele lengte uit filter bestaan. Dergelijke buizen worden nog steeds gebruikt.
Om de twee afwijkende buizen in het model te passen wordt toegestaan dat het filter, resp. de stijgbuis de lengte nul heeft.
De aard van het materiaal waaruit een buis bestaat en het materiaal dat gebruikt is om de buis in de put op zijn plaats te houden, het toegepast materiaal, worden vastgelegd omdat het van belang kan zijn bij het beoordelen van de bruikbaarheid van de meetpunten in de put voor de monitoring van de kwaliteit van het grondwater.

3.5.3. Geo-ohmkabel

In bepaalde delen van Nederland worden bij inrichting van de put soms geo-ohmkabels aan een buis bevestigd. Dat zijn kabels die voorzien zijn van elektroden en een meetkastje. De kabels worden traditioneel gebruikt om het zoutgehalte van het water te kunnen monitoren. Vroeger werden zij daarom wel zoutwachters genoemd. De elektroden vormen per paar een meetpunt.

3.5.4. Ingeplaatst deel

Wanneer een stijgbuisdeel lekkage vertoont kan de eigenaar van de put ervoor kiezen een nieuw stijgbuisdeel in de bestaande buis te plaatsen; dat nieuwe deel wordt kortweg ingeplaatst deel genoemd.

Figuur 8: Inplaatsen van een stijgbuisdeel.

3.5.5. Put geschiedenis

De putgeschiedenis geeft aan wanneer de put is ingericht, wanneer die is opgeruimd en welke gebeurtenissen er tussentijds hebben plaatsgevonden. Er zijn elf gebeurtenissen geïdentificeerd die van belang zijn voor het registratieobject en dat zijn:

  • Het eigendom van de put is op een andere organisatie overgegaan.
  • Het uitvoeren van het onderhoud van de put is op een andere organisatie overgegaan.
  • In een bestaande monitoringbuis is een nieuw stijgbuisdeel geplaatst (figuur 8).
  • De put wordt voorzien van een beschermconstructie of de bestaande beschermconstructie wordt vervangen door een ander type.
  • De toestand die aangeeft of de monitoringbuis gebruikt kan worden voor monitoring, is veranderd.
  • De toestand die aangeeft of de elektrode gebruikt kan worden voor monitoring, is veranderd.
  • Een monitoringbuis is korter gemaakt (figuur 9); deze verandering kan gepaard gaan met het aanbrengen of vervangen van een beschermconstructie.
  • Een monitoringbuis is langer gemaakt (figuur 9); deze verandering kan gepaard gaan met het aanbrengen of vervangen van een beschermconstructie.


Figuur 9: Het oplengen (links) en inkorten (rechts) van een monitoringbuis.

  • De positie van het maaiveld is opnieuw bepaald omdat de mens ter plekke heeft ingegrepen (figuur 10), bijvoorbeeld door het bovenste deel van de bodem weg te graven.



Figuur 10: Verandering van maaiveldpositie door direct ingrijpen van de mens.

  • De positie van het maaiveld is opnieuw bepaald, omdat de put in een gebied ligt waar de positie van het maaiveld aan verandering onderhevig is; het is echter niet nodig de posities van de buizen opnieuw te bepalen omdat de put is verankerd (figuur 11).



Figuur 11: Het maaiveld in het gebied daalt, maar de positie van de put t.o.v. NAP verandert niet.

  • De posities van het maaiveld en de posities van de buizen zijn opnieuw bepaald, omdat de put in een gebied ligt waar de positie van het maaiveld veranderlijk is en de put meebeweegt (figuur 12).




Figuur 12: Het maaiveld in het gebied daalt en de positie van de put t.o.v. NAP daalt mee

3.5.6. R egistratiegeschiedenis

De registratiegeschiedenis van een grondwatermonitoringput geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na de start van de registratie correcties zijn doorgevoerd.

4. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen

4.1. Inleiding

Dit hoofdstuk vormt het hart van de catalogus, de definitie van de gegevens van de grondwatermonitoringput. In paragraaf 4.4 wordt de formele definitie van het registratieobject gegeven en in paragraaf 4.5 de definities van de entiteiten waaruit het object is opgebouwd en van de eigenschappen van die entiteiten, de attributen. De entiteiten worden op volgorde van de nummers in het domeinmodel behandeld. De volgende gegevens zijn vastgelegd:

  • De Nederlandse naam van de entiteit of het attribuut (naam).
  • De definitie van de entiteit of het attribuut (definitie).
  • De kardinaliteit van de entiteit of het attribuut (kardinaliteit).
  • De aanduiding of een attribuut authentiek is of niet (authentiek).
  • De aanduiding of een attribuut dynamisch is (dynamisch).
  • De naam van het domein voor de waarden van het attribuut (domein), met afhankelijk van het type domein nadere informatie over de waarden.
  • Eventueel de naam van het domein van het attribuut voor IMBRO/A (domein IMBRO/A), wanneer het uitzonderlijke geval zich voordoet dat er voor IMBRO/A een ander domein geldt dan voor IMBRO.
  • Eventueel de regels die in aanvulling op de kardinaliteit en de bepalingen van het domein gelden en door de basisregistratie ondergrond in controles zijn opgenomen, bijvoorbeeld om de consistentie van het brondocument vast te stellen (regels).
  • Eventueel de regels die voor IMBRO/A gelden, wanneer het uitzonderlijke geval zich voordoet dat er voor IMBRO/A aanvullende regels gelden (regels IMBRO/A).
  • Eventueel een toelichting om aanvullende informatie te geven over de herkomst van het gegeven, de reden waarom het is opgenomen of de betekenis van het gegeven (toelichting).

Voorafgaand aan de definities wordt een toelichting gegeven die voor een goed begrip nodig is. Eerst wordt de typering van domeinen behandeld en vervolgens de relatie tussen kardinaliteit en regels.

4.2. Type domeinen

Een domein beschrijft welke waarden een attribuut mag hebben. Domeinen zijn van een bepaald type en de typen die in de registratie ondergrond worden gebruikt worden hieronder toegelicht.

4.2.1. Enumeratie

Een domein van het type enumeratie is een limitatieve opsomming van waarden. Het is een keuzelijst met een bepaalde naam. Er wordt voor een enumeratie gekozen wanneer alle waarden bekend zijn en uitbreiding niet mogelijk is. Wanneer een attribuut een domein van het type enumeratie heeft, wordt bij de beschrijving van het attribuut de naam van de lijst opgenomen. De inhoud van de lijst zelf wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In het domeinmodel wordt het domein aangeduid met zijn naam.

4.2.2. Codelijst

Een domein van het type codelijst is een uitbreidbare opsomming van waarden. Het is een keuzelijst met een bepaalde naam. Er wordt voor een codelijst gekozen wanneer niet alle waarden bekend zijn en uitbreiding mogelijk moet zijn. De inhoud van een codelijst kan voor IMBRO anders zijn dan voor IMBRO/A . Wanneer een attribuut een domein van het type codelijst heeft, wordt bij de beschrijving van het attribuut de naam van de lijst opgenomen. De inhoud van de codelijst zelf wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In het domeinmodel wordt het domein aangeduid met zijn naam.

4.2.3. Tekst

Een domein van het type tekst bestaat uit een stuk tekst van een bepaalde maximale lengte. De tekst mag alleen bestaan uit de tekens die voorkomen in de MES-1 set. De MES-1 set omvat 335 tekens en wordt gebruikt binnen de landen van de Europese Unie die een Latijns schrift kennen.
Een domein van het type tekst wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding tekst ook de maximale lengte mee te geven. In het domeinmodel wordt het domein aangeduid als TekstN, waarbij N de maximale lengte aangeeft.

4.2.4. Aantal

Een domein van het type aantal is een natuurlijk getal met een bepaalde maximale lengte. Het wordt gebruikt voor een telbare hoeveelheid. Een domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding ook de maximale lengte mee te geven. In het domeinmodel is de algemene aanduiding AantalN, waarbij N de maximale lengte aangeeft.

4.2.5. Nummer

Een domein van het type nummer is een opeenvolging van cijfers met een bepaalde maximale lengte. Een nummer heeft geen rekenkundige betekenis, maar heeft een betekenisvolle volgorde.
Een domein van het type nummer wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding nummer ook de maximale lengte mee te geven. In het domeinmodel is de algemene aanduiding NummerN, waarbij N de maximale lengte aangeeft.

4.2.6. Code

Een domein van het type code is een opeenvolging van cijfers, van letters of van cijfers en letters met een bepaalde opbouw en met een specifieke betekenis. Een code heeft gewoonlijk een betekenis die ook buiten de basisregistratie ondergrond geldt. Een code wordt uitgegeven door een verantwoordelijke instantie. Om de opbouw van een code weer te geven wordt gebruik gemaakt van de letters C en N. De letter C staat voor character (Eng.) en duidt een letter aan, de letter N staat voor number (Eng.) en duidt een cijfer aan.
Wanneer een attribuut een domein van het type code heeft, wordt bij de beschrijving van het attribuut de naam van het domein en de opbouw opgenomen. Uit de definitie van het attribuut zelf moet blijken wat de specifieke betekenis is van de code. In het domeinmodel wordt het domein aangeduid met zijn naam.

4.2.7. Getalswaarde

Het domein van het type getalswaarde omvat een aantal typen, subdomeinen. Ieder van die subdomeinen staat voor een bepaalde verzameling getallen. In de basisregistratie ondergrond zijn drie verzamelingen van belang: die van de natuurlijke getallen, die van de gehele getallen, en die van de rationale getallen. Ieder van die drie verzamelingen heeft een eigen karakteristiek.
De natuurlijke getallen omvatten de positieve gehele getallen inclusief de nul. Natuurlijke getallen hebben een maximale lengte.
De gehele getallen omvatten de positieve en negatieve gehele getallen inclusief de nul. Gehele getallen hebben een maximale lengte.
De rationale getallen omvatten de getallen die het quotiënt zijn van twee gehele getallen, en daarbij geldt dat de deler geen nul mag zijn. Rationale getallen hebben een decimaal scheidingsteken en daarmee een opbouw. Het aantal cijfers voor het scheidingsteken is variabel maar begrensd. Het aantal cijfers achter het scheidingsteken ligt vast.
Gewoonlijk wordt niet alleen de verzameling benoemd, maar wordt het domein verder ingeperkt door een bereik te specificeren. Het bereik geeft de minimale en de maximale waarde aan die een attribuut kan hebben.
Het domein getalswaarde wordt in de basisregistratie ondergrond gebruikt voor gegevens die gemeten, berekend of anderszins bepaald zijn. Bij de getalswaarde hoort daarom een eenheid. De basisregistratie ondergrond gebruikt voor de eenheden de codes uit het UCUM (Unified Code for Units of Measure)-systeem. In bijzondere gevallen is de eenheid dimensieloos.
Wanneer een attribuut een domein van het type getalswaarde heeft wordt het subdomein aangegeven, de maximale lengte of de opbouw, de eenheid en indien van toepassing het bereik. In het domeinmodel wordt het domein voor een natuurlijk of een geheel getal aangeduid als GetalswaardeN, waarde N staat voor het maximum aantal cijfers. Het domein voor een rationaal getal wordt aangegeven als GetalswaardeN.N, waarbij de tweede N het vaste aantal cijfers achter het scheidingsteken aangeeft.
Inname van getalswaarden
In de praktijk is het moeilijk een getalswaarde zonder verandering van het ene systeem aan het andere door te geven, met name als het getallen met decimalen betreft. De basisregistratie ondergrond hanteert de definities binnen het systeem en bij uitgifte strikt om te borgen dat een getalswaarde zonder verandering kan worden doorgegeven.
Bij het vastleggen van eigenschappen is het niet altijd nodig getallen zo strikt te definiëren als de basisregistratie vraagt. De uitvoerders weten wel wat een getal zou moeten voorstellen en kunnen bijvoorbeeld accepteren dat een geheel getal er een decimale nul bij krijgt of dat een rationaal getal een onbepaald aantal decimalen heeft. Om de uitvoeringspraktijk niet nodeloos te frustreren door getallen die niet aan de strikte definitie te voldoen af te wijzen, hanteert de basisregistratie ondergrond bij het innemen van getalswaarden de volgende praktische regels.
Voor rationale getallen geldt:

  • Er zijn meer cijfers achter het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: het getal wordt afgekapt op het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Er zijn minder cijfers achter het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: het getal wordt aangevuld met nullen tot het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Er is geen scheidingsteken aanwezig: het scheidingsteken wordt toegevoegd en het getal wordt aangevuld met nullen tot het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Het getal voor het scheidingsteken begint met een of meer nullen: de nullen worden genegeerd.
  • Er zijn meer cijfers vóór het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: de waarde wordt geweigerd.


Voor natuurlijke en gehele getallen geldt:

  • Er zijn meer cijfers aanwezig dan gespecificeerd: de waarde wordt geweigerd.
  • Er is scheidingsteken aanwezig: de waarde wordt geweigerd.

4.2.8. Domeinen voor datum en tijd

Voor gegevens die over tijd gaan, de temporele gegevens, worden drie domeinen gebruikt. Een voor de tijd tot op de seconde nauwkeurig (DatumTijd), een voor de tijd tot op de dag nauwkeurig (Datum), en als derde een domein dat een aantal mogelijkheden geeft om de tijd minder nauwkeurig dan tot op de dag aan te geven (OnvolledigeDatum).
In ieder domein gaat het om de tijd gemeten volgens de Gregoriaanse kalender. Indien het domein DatumTijd wordt gebruikt moet ook de tijdzone worden meegegeven. Voor de tijdzone is UTC de referentie. UTC is de mondiaal geaccepteerde standaardtijd en de opvolger van GMT (Greenwich Mean Time); de drie letters staan voor Coordinated Universal Time.
Door de tijdzone mee te geven kan lokale tijd worden omgezet naar UTC.
De opbouw van de drie domeinen volgt dezelfde conventies. Het eerste element in de opbouw staat voor het jaar, dan volgt de maand, enz., en het laatste element staat voor de tijdzone. Om de verschillende elementen aan te geven worden letters gebruikt: jaar (J), maand (M), dag (D), uur (U), minuut (M)en seconde (S), gevolgd door de tijdzone. Het aantal letters geeft de lengte aan.
Voor de meest uitgebreide variant van de opbouw, die van DatumTijd, wordt dit JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM. De T is het teken dat de datum en het tijdstip op die datum scheidt. De + is het scheidingteken tussen het tijdstip en de tijdzone. Zoals uit de opbouw blijkt wordt de tijdzone in uren en minuten gegeven. De meeste tijdzones zijn overigens uitgedrukt in gehele uren (UU:00). In Nederland geldt Centraal Europese Tijd (UTC+1:00) of Centraal Europese Zomertijd (UTC+2.00).
DatumTijd
Het domein DatumTijd geeft een tijdstip volgens de Gregoriaanse kalender tot op de seconde nauwkeurig. De opbouw is JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM.
Wanneer een attribuut een domein van het type DatumTijd heeft is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is.
Datum Het domein Datum geeft een datum volgens de Gregoriaanse kalender tot op de dag nauwkeurig. De opbouw is JJJJ-MM-DD.
Wanneer een attribuut een domein van het type Datum heeft is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is.
OnvolledigeDatum Voor gegevens die onder het kwaliteitsregime IMBRO/A aangeleverd worden, geldt een derde domein met vier keuzemogelijkheden.

  • De datum tot op de dag nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM-DD
  • De datum tot op de maand nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM
  • De datum tot op het jaar nauwkeurig, met als opbouw JJJJ
  • Geen datum bekend, met als vaste waarde onbekend.

De keuze die gemaakt wordt is gebaseerd op de beschikbaarheid van gegevens. De gebruiker moet ervan uit gaan dat de informatie zo nauwkeurig mogelijk is opgenomen.
Wanneer een attribuut een domein van het type OnvolledigeDatum heeft is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw en de vier keuzen altijd hetzelfde zijn.
Bij inname wordt gewoonlijk gecontroleerd of een temporeel gegeven in een brondocument in een logische opeenvolging van gebeurtenissen past. Daartoe wordt de waarde vergeleken met een ander temporeel gegeven, de referentiedatum of het referentietijdstip. Er zijn twee uitwerkingen van de controle, en die worden als regel in de gegevensdefinitie benoemd.
In het ene geval wordt gecontroleerd of het desbetreffende temporele gegeven niet na de referentiedatum of het referentietijdstip valt. Het desbetreffende gegeven moet dus altijd voor de referentie liggen of ermee samenvallen.
In het andere geval wordt gecontroleerd of het desbetreffende temporele gegeven niet voor de referentiedatum of het referentietijdstip valt. Het desbetreffende gegeven moet dus altijd na de referentie liggen of ermee samenvallen.
De waarden van de attributen zijn normaliter direct vergelijkbaar. Maar onder het kwaliteitsregime IMBRO/A is veelal het domein OnvolledigeDatum van toepassing en dan kan het voorkomen dat de waarden niet direct vergelijkbaar zijn. Een voorbeeld moet duidelijk maken wat dat betekent.
We nemen het geval dat de regel niet na geldt en een temporeel attribuut een waarde heeft tot op het jaar nauwkeurig (domein OnvolledigeDatum), terwijl de referentie een waarde heeft uit het domein Datum en dus op de dag nauwkeurig is. Wanneer de waarden van de attributen niet direct vergelijkbaar zijn, moet de regel zo begrepen worden dat de vergelijking zich beperkt tot de elementen die beide gemeenschappelijk hebben. In het gegeven voorbeeld is dat alleen het jaar. Het jaar van het te beoordelen temporele attribuut mag dus niet na het jaar van de referentiedatum liggen.

4.2.9. Coördinatenpaar

Het domein coördinatenpaar wordt gebruikt om de positie van een punt op het aardoppervlak vast te leggen. De positie wordt bepaald in een specifiek referentiestelsel en uitgedrukt in twee coördinaten. Ieder van de coördinaten heeft een getalswaarde en de notatie voor het paar is (coördinaat 1, coördinaat 2).
In de basisregistratie ondergrond worden drie referentiestelsels voor horizontale posities gebruikt. Het referentiestelsel bepaalt hoe de tweedimensionale ruimte wordt beschreven en daarmee wat de coördinaten voorstellen en wat de karakteristiek van de twee getalswaarden is.
Voor het referentiestelsel RD zijn de coördinaten cartesisch en is de notatie (x,y). De eerste coördinaat (x) heeft betrekking op de positie op een west-oost georiënteerde as, de tweede coördinaat (y) op een zuid-noord georiënteerde as. Een positie oostelijk van de oorsprong, resp. noordelijk van de oorsprong heeft een positieve waarde.
Voor WGS84 (ongeprojecteerd) en ETRS89 (ongeprojecteerd) zijn de coördinaten geografisch en is de notatie (φ,λ). De eerste coördinaat heeft betrekking op de geografische breedte, de tweede op de geografische lengte. Een positie oostelijk van de Greenwich-meridiaan, resp. noordelijk van de evenaar heeft een positieve waarde.

Coördinatenpaar voor RD (x,y)

Getalswaarde6.3


Eenheidm (meter)


Bereik xvan -7000 tot 289000


Bereik ytussen 289000 en 629000
Coördinatenpaar voor WGS84 (φ,λ)

Getalswaarde2.9


Eenheid° (graden, decimaal)


Bereik φtussen 51.3 en 56


Bereik λtussen 2.4 en 6.8

Coördinatenpaar voor ETRS89 (φ,λ)


Getalswaarde2.9


Eenheid° (graden, decimaal)


Bereik φtussen 50.6 en 56


Bereik λtussen 2.4 en 7.4

4.3. Verplichte gegevens, verplichte waarden

Bij de bespreking van het domeinmodel (zie par. 3.5) is gesteld dat de kardinaliteit en de regels samen bepalen of een gegeven al dan niet aanwezig is. Voor een goed begrip van de gegevensdefinitie is dat nog niet zorgvuldig genoeg geformuleerd. In de praktijk van gegevensuitwisseling is het namelijk mogelijk een attribuut op te nemen zonder waarde.
Verbijzonderd voor attributen is de juiste formulering daarom dat de kardinaliteit en de regels samen bepalen of een attribuut al dan niet aanwezig is en of een attribuut al dan niet een waarde heeft.
Uitgangspunt is dat een attribuut dat aanwezig is een waarde heeft. Een attribuut wordt alleen bij uitzondering zonder waarde in de berichten opgenomen. Het onderstaande overzicht geeft de vier mogelijkheden die voorkomen.











  • De kardinaliteit= [1] en er is geen aanvullende regel opgenomen. Dit betekent dat het gegeven altijd aanwezig is en altijd een waarde heeft.





















  • De kardinaliteit= [1] en er is een aanvullende regel opgenomen die aangeeft waarom een waarde toch mag ontbreken. Dit betekent dat het gegeven altijd aanwezig is maar bij uitzondering en om een specifieke reden geen waarde kan hebben.





















  • De kardinaliteit= [0..1] en er zijn 1 of meer aanvullende regels opgenomen. Dit betekent dat de regels bepalen of het gegeven wel of niet voorkomt en bepalen of het gegeven wel of geen waarde heeft.





















  • De kardinaliteit= [0..1] en er is geen aanvullende regel opgenomen. Dit betekent dat het gegeven alleen aanwezig is als het een waarde heeft.











4.4. Registratieobject

Naam

Grondwatermonitoringput


Code

GMW


Definitie

Het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een put die op een bepaald moment op een bepaalde locatie in Nederland is ingericht om gedurende langere tijd waarnemingen aan het grondwater te kunnen doen en dat door of onder de verantwoordelijkheid van een bepaald bestuursorgaan aan de registerbeheerder van de basisregistratie ondergrond is aangeleverd en door de laatste in de registratie ondergrond is opgenomen.


Unieke aanduiding

BRO-ID

Populatie

De populatie grondwatermonitoringputten in de registratie ondergrond omvat de putten die gebruikt worden of gaan worden in grondwatermonitoringnetten die door of in opdracht van een bestuursorgaan zijn ingesteld en die voldoen aan de criteria die in het besluit basisregistratie ondergrond zijn vastgelegd, alsook de putten die in soortgelijke historische netten zijn gebruikt.

4.5. Entiteiten en attributen

4.5.1. 1 Grondwatermonitoringput

Naam entiteit

Grondwatermonitoringput

Definitie

De gegevens die de grondwatermonitoringput identificeren en inzicht geven in de geschiedenis van het object voorafgaand aan opname in de registratie ondergrond, met een aantal eigenschappen die de put als geheel karakteriseren.

Toelichting

De gegevens die alle registratieobjecten gemeenschappelijk hebben zijn in het domeinmodel gegroepeerd in de entiteit Registratieobject.



1.1 BRO-ID


Naam attribuut

BRO-ID

Definitie

De identificatie van de grondwatermonitoringput in de registratie ondergrond.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Registratieobjectcode

Type

Code

Opbouw

GMWNNNNNNNNNNNN

Toelichting

De basisregistratie ondergrond kent bij registratie automatisch de juiste waarde aan het attribuut toe.

1.2 bronhouder


Naam attribuut

bronhouder

Definitie

De identificatie die de organisatie die bronhouder is van de gegevens in de basisregistratie ondergrond, als onderneming in het Handelsregister heeft.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

KvK-nummer

Type

Code

Opbouw

NNNNNNNN

Regels

De organisatie moet binnen de BRO als bronhouder van grondwatermonitoringputten bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier bij de overdracht meegegeven in het geval de dataleverancier niet de bronhouder is.
Voor historische grondwatermonitoringputten die afkomstig zijn uit DINO, is het Ministerie van Infrastructuur en Milieu bronhouder.

1.3 object-ID bronhouder


Naam attribuut

object-ID bronhouder

Definitie

De identificatie die door of voor de bronhouder is gebruikt om het object in de eigen administratie te kunnen vinden, voordat het was geregistreerd in de basisregistratie ondergrond.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Nee

Dynamisch

Nee

Domein

Tekst

Maximale lengte

200

Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder. Het is in de registratie opgenomen om de communicatie tussen de registerbeheerder en de bronhouder of dataleverancier te vergemakkelijken.

1.4 dataleverancier


Naam attribuut

dataleverancier

Definitie

De identificatie die de organisatie die gegevens van het object aan de basisregistratie ondergrond levert, als onderneming in het Handelsregister heeft.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Nee

Dynamisch

Nee

Domein

KvK-nummer

Type

Code

Opbouw

NNNNNNNN

Regels

De organisatie moet binnen de basisregistratie ondergrond als dataleverancier van grondwatermonitoringputten bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier bij de overdracht meegegeven. Het wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

1.5 kwaliteitsregime


Naam attribuut

kwaliteitsregime

Definitie

De aanduiding van de kwaliteitseis waaraan de gegevens van het object voldoen.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Kwaliteitsregime

Type

Enumeratie

Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier meegegeven met het brondocument dat hij bij het starten van de registratie heeft overgedragen.

1.6 met voorgeschiedenis


Naam attribuut

met voorgeschiedenis

Definitie

De aanduiding die aangeeft of alle datums in de putgeschiedenis tot op de dag nauwkeurig bekend zijn.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

IndicatieJaNee

Type

Enumeratie

Toelichting

Het gegeven staat niet in een brondocument. De basisregistratie ondergrond kent bij het starten van de registratie automatisch de juiste waarde toe. Sturend daarbij is het bijzondere recht dat een dataleverancier gedurende beperkte tijd kan hebben om putten met voorgeschiedenis aan te bieden. Dat recht is gekoppeld aan conversietrajecten die doorlopen moeten worden om putten met al bestaande geschiedenis aan te leveren.
Een put met voorgeschiedenis heeft als bijzonderheid dat de datums in Putgeschiedenis het domein OnvolledigeDatum mogen hebben.

1.7 kader aanlevering


Naam attribuut

kader aanlevering

Definitie

De rechtsgrond op basis waarvan, of bij afwezigheid daarvan, de activiteit naar aanleiding waarvan, het object is aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

KaderAanlevering

Type

Codelijst

Toelichting

De wetgever stipuleert dat het gegeven moet zijn vastgelegd om inzicht te geven in de plaats die het object heeft in de taken van een bestuursorgaan. Het gegeven geeft inzicht in de maatschappelijke betekenis van de informatie.

1.8 kwaliteitsnorm inrichting


Naam attribuut

kwaliteitsnorm inrichting

Definitie

De norm of verzameling normen die omschrijft volgens welke afspraken of specificaties de grondwatermonitoringput is ingericht.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

KwaliteitsnormInrichting

Type

Codelijst

Toelichting

Het inrichten van grondwatermonitoringputten is in het algemeen nog weinig geformaliseerd. Er bestaan voorschriften en richtlijnen gebruikt, maar het gebruik ervan is niet of alleen binnen de eigen organisatie verplicht. Het werkveld wil toewerken naar een meer gestandaardiseerde werkwijze. Om dat streven te ondersteunen is het gegeven opgenomen. De codelijst is echter nog toegespitst op de huidige situatie.

1.9 initiële functie


Naam attribuut

initiële functie

Definitie

De functie van de grondwatermonitoringput op de datum van inrichting.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

InitiëleFunctie

Type

Codelijst

Toelichting

Niet alle grondwatermonitoringputten zijn als zodanig ontworpen. Een put kan ook pas na verloop van tijd voor monitoring in gebruik zijn genomen. Dit geldt met name voor putten met een inrichtingsdatum in een ver verleden. Bij de inrichting van de put kunnen buizen of materialen gebruikt zijn die de put minder geschikt maken voor bepaalde vormen van monitoring.

1.10 opgeruimd


Naam attribuut

opgeruimd

Definitie

De aanduiding die aangeeft of de grondwatermonitoringput geheel of gedeeltelijk uit de ondergrond is verwijderd.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

IndicatieJaNee

Type

Enumeratie

Toelichting

Het gegeven staat niet in een brondocument. De basisregistratie ondergrond kent automatisch de juiste waarde aan het attribuut toe op basis van het type brondocument.
Bij het starten van de registratie (GMW-Inrichten) krijgt het de waarde nee, bij het beëindigen (GMW-Opruimen) de waarde ja.

Vaak wordt de put in zijn geheel uit de ondergrond verwijderd, maar niet altijd. Bij diepe putten kan het opruimen zich beperken tot het verwijderen van de beschermconstructie en het bovenste deel van de buizen en worden de achterblijvende delen volgestort.Wanneer het om een put met voorgeschiedenis gaat die niet meer gebruikt wordt voor monitoring, zal niet altijd bekend zijn of de put is opgeruimd. Zolang er geen duidelijkheid bestaat, wordt er in de registratie vanuit gegaan dat de put niet is opgeruimd.

1.11 aantal monitoringbuizen


Naam attribuut

aantal monitoringbuizen

Definitie

Het aantal monitoringbuizen dat de grondwatermonitoringput heeft.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Aantal

Maximale lengte

2

Waardebereik

1 tot 50

1.12 maaiveld stabiel


Naam attribuut

maaiveld stabiel

Definitie

De aanduiding die aangeeft of de grondwatermonitoringput, naar het oordeel van de bronhouder, in een gebied ligt waar de positie van het maaiveld veranderlijk is.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Nee

Dynamisch

Nee

Domein

IndicatieJaNee

Domein IMBRO/A

IndicatieJaNeeOnbekend

Type

Enumeratie

Toelichting

Een verandering in de positie van het maaiveld kan gevolgen hebben voor de positie van de meetpunten in een grondwatermonitoringput.

Het gegeven is niet authentiek, omdat de bronhouder een zekere vrijheid heeft te bepalen of hij de positie van het maaiveld als veranderlijk wil beschouwen. Die vrijheid valt pas weg wanneer de bronhouder nieuwe gegevens over de positie van het maaiveld moet (doen) registreren, omdat hij geconstateerd heeft dat de positie is veranderd.

1.13 putstabiliteit


Naam attribuut

putstabiliteit

Kardinaliteit

0..1

Definitie

Aanduiding van de stabiliteit van de put bij maaiveldveranderingen die het gevolg zijn van processen in de ondergrond.

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Putstabiliteit

Type

Codelijst

Regels

Wanneer het attribuut maaiveld stabiel de waarde nee heeft, is het gegeven aanwezig; in het andere geval ontbreekt het.

Regels IMBRO/A

Wanneer het attribuut maaiveld stabiel de waarde onbekend heeft, is het gegeven aanwezig en heeft het de waarde onbekend.

Toelichting

In gebieden waar de positie van het maaiveld, door ingrijpen van de mens of als direct gevolg van natuurlijke processen, onderhevig is aan veranderingen, is het van belang te weten in hoeverre de put met het maaiveld meebeweegt. Er zijn organisaties die in dergelijke gebieden de putten laten verankeren zodat zij niet meebewegen wanneer het maaiveld daalt of stijgt. Daling komt het meest voor en de oorzaak van daling is divers. Men kan denken aan natuurlijke zetting, veenoxidatie, zetting als gevolg van de verlaging van het polderpeil en compactie van gesteente op grote diepte als gevolg van delfstofwinning. Stijging is uitzonderlijk en meestal een gevolg van wateropname door veen.

1.14 NITG-code


Naam attribuut

NITG-code

Definitie

De identificatie die de put in de registratie DINO had.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

NITGCode

Type

Code

Opbouw

CNNCNNNN

Regels

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer de put geregistreerd was in de registratie DINO.

Toelichting

Het NITG-nummer is de algemeen gebruikte identificatie die een put voor invoering van de basisregisitratie ondergrond had. De eerste letter is een B, dan volgt het nummer van het kaartblad waarop de locatie ligt gevolgd door de letter die het kaartblad nader specificeert, en dan een volgnummer voor de locatie op het kaartblad. De gebruikte kaartbladindeling is die van de Topografische Kaart van Nederland 1:25.000,
versie 1961. De NITG-code kan gelijk zijn aan het object-ID bronhouder. Anders dan het object-ID bronhouder wordt de NITG-code standaard uitgeleverd.

1.15 putcode


Naam attribuut

putcode

Definitie

De voor de gemiddelde gebruiker gemakkelijk herkenbare aanduiding van de put die geen NITG-code heeft.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Putcode

Type

Code

Opbouw

CCCNNCNNNNNN

Regels

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer de put geen NITG-code heeft.

Toelichting

De putcode wordt samengesteld uit de drie letters die het type registratieobject aangeven (GMW), dan volgt het nummer van het kaartblad waarop de locatie ligt gevolgd door de letter die het kaartbladonderdeel specificeert, en dan een volgnummer. De gebruikte kaartbladindeling is die van de Topografische Kaart van Nederland 1:25.000,
versie juni 2016. De code wordt door de basisregistratie ondergrond gegenereerd op basis van het bij inname aangeleverde kaartbladnummer (NNC).


1.16 eigenaar


Naam attribuut

eigenaar

Definitie

De identificatie die de organisatie die eigenaar is van de grondwatermonitoringput, als onderneming in het Handelsregister heeft.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

KvK-nummer

Type

Code

Opbouw

NNNNNNNN

Regels

In het geval de eigenaar geen identificatie als onderneming in het Handelsregister heeft, heeft het gegeven geen waarde.

De organisatie moet binnen de BRO als eigenaar van grondwatermonitoringputten bekend zijn.

Regels IMBRO /A

Onder IMBRO/A kan het voorkomen dat de waarde van het gegeven niet bekend is; ook in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

Toelichting

In het uitzonderlijke geval dat de eigenaar van een grondwatermonitoringput een persoon is en geen onderneming, wordt de eigenaar niet in de BRO vastgelegd.

1.17 onderhoudende instantie


Naam attribuut

onderhoudende instantie

Definitie

De identificatie die de organisatie die verantwoordelijk is voor het onderhoud van de grondwatermonitoringput, als onderneming in het Handelsregister heeft.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Nee

Dynamisch

Ja

Domein

KvK-nummer

Type

Code

Opbouw

NNNNNNNN

Regels

De organisatie moet binnen de BRO als onderhoudende instantie van grondwatermonitoringputten bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

1.18 beschermconstructie


Naam attribuut

beschermconstructie

Definitie

De typering van het onderdeel dat de constructie aan de bovenkant afsluit om de buis of buizen te beschermen tegen invloeden van buitenaf.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Beschermconstructie

Type

Codelijst

Toelichting

Een beschermconstructie kan om uiteenlopende redenen worden aangebracht. Bijvoorbeeld om te voorkomen dat er water of vuil van bovenaf in de put terechtkomt, maar ook om de put te beschermen tegen beschadiging. Soms wordt een beschermconstructie aangebracht om de put makkelijk te kunnen vinden.
Het gegeven is voor afnemers van belang om te bepalen of de put voor hen geschikt is voor monitoring.

4.5.2. 2 Registratiegeschiedenis

Naam entiteit

Registratiegeschiedenis

Definitie

De gegevens die de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond markeren.

Kardinaliteit

1

Toelichting

De gegevens staan niet in een brondocument, maar worden automatisch door de basisregistratie ondergrond gegenereerd.

2.1 tijdstip registratie object


Naam attribuut

tijdstip registratie object

Definitie

De datum en het tijdstip waarop voor het eerst gegevens van het object in de registratie ondergrond zijn opgenomen.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

DatumTijd

2.2 registratiestatus


Naam attribuut

registratiestatus

Definitie

De actuele fase van registratie waarin het object zich bevindt.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Registratiestatus

Type

Codelijst

2.3 tijdstip laatste aanvulling


Naam attribuut

tijdstip laatste aanvulling

Definitie

De datum en het tijdstip waarop de laatste aanvulling op de gegevens in de registratie ondergrond is doorgevoerd.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Domein

DatumTijd

Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer na de start van de registratie van de grondwatermonitoringput aanvullende gegevens zijn vastgelegd.

2.4 tijdstip voltooiing registratie


Naam attribuut

tijdstip voltooiing registratie

Definitie

De datum en het tijdstip waarop alle gegevens van het object in de registratie ondergrond zijn opgenomen.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Domein

DatumTijd

Regels

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer de registratiestatus de waarde voltooid heeft.

Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig als alle aan te leveren gegevens zijn geregistreerd. Na dit tijdstip kunnen geen nieuwe gegevens meer ter registratie worden aangeboden. Wel kunnen fouten in de registratie worden verbeterd.

2.5 gecorrigeerd


Naam attribuut

gecorrigeerd

Definitie

De aanduiding die aangeeft of er een verbetering in de gegevens van het object in de registratie ondergrond heeft plaatsgevonden.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

IndicatieJaNee

Type

Enumeratie

2.6 tijdstip laatste correctie


Naam attribuut

tijdstip laatste correctie

Definitie

De datum en het tijdstip waarop de laatste verbetering in de gegevens van het object is doorgevoerd.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

DatumTijd

Regels

Het al dan niet aanwezig zijn van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut gecorrigeerd.

2.7 in onderzoek


Naam attribuut

in onderzoek

Definitie

De aanduiding die aangeeft of het object door de registerbeheerder in onderzoek is genomen.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

IndicatieJaNee

Type

Enumeratie

Toelichting

Wanneer een object in onderzoek is genomen betekent dit dat er bij de registerbeheerder gerede twijfel bestaat over de juistheid van de geregistreerde gegevens en dat er een onderzoek is gestart om vast te stellen wat de juiste gegevens zijn. Normaliter gaat hieraan een melding van derden vooraf.

2.8 in onderzoek sinds


Naam attribuut

in onderzoek sinds

Definitie

De datum en het tijdstip waarop de registerbeheerder het object in onderzoek heeft genomen.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

DatumTijd

Regels

Het al dan niet aanwezig zijn van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut in onderzoek.

2.9 uit registratie genomen


Naam attribuut

uit registratie genomen

Definitie

De aanduiding die aangeeft of de gegevens van het object door de registerbeheerder uit registratie zijn genomen.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Domein

IndicatieJaNee

Type

Enumeratie

Toelichting

Wanneer de registerbeheerder een object uit registratie heeft genomen, zijn de gegevens niet langer beschikbaar voor andere afnemers dan bronhouder en dataleverancier. De registerbeheerder zal een object alleen bij hoge uitzondering uit registratie nemen en alleen na akkoord van de bronhouder. Aan de beslissing gaat een proces van zorgvuldige afweging vooraf en dat komt tot uitdrukking in de regel dat een object slechts een keer uit registratie kan worden genomen.

2.10 tijdstip uit registratie genomen


Naam attribuut

tijdstip uit registratie genomen

Definitie

De datum en het tijdstip waarop het object uit registratie is genomen.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Domein

DatumTijd

Regels

Het al dan niet aanwezig zijn van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut uit registratie genomen.

2.11 weer in registratie genomen


Naam attribuut

weer in registratie genomen

Definitie

De aanduiding die aangeeft of het object in de registratie ondergrond is opgenomen, nadat het eerder uit registratie was genomen.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Domein

IndicatieJaNee

Type

Enumeratie

Toelichting

De registerbeheerder kan een object eenmalig uit registratie nemen, en die actie kan hij eenmalig ongedaan maken. Ook hiervoor geldt dat akkoord van de bronhouder vereist is.

2.12 tijdstip weer in registratie genomen


Naam attribuut

tijdstip weer in registratie genomen

Definitie

De datum en het tijdstip waarop het object in de registratie ondergrond is opgenomen, nadat het uit registratie was genomen.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Domein

DatumTijd

Regels

Het al dan niet aanwezig zijn van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut weer in registratie genomen.

4.5.3. 3.0 Putgeschiedenis

Naam entiteit

Putgeschiedenis

Definitie

Het geheel van gebeurtenissen dat de geschiedenis van de grondwatermonitoringput in de werkelijkheid beschrijft.

Kardinaliteit

1

3.0.1 inrichtingsdatum put


Naam attribuut

inrichtingsdatum put

Definitie

De datum waarop de inrichting van de grondwatermonitoringput is voltooid.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Datum of OnvolledigeDatum

Waardebereik

1 januari 1889 tot heden

Regels

Als het gegeven met voorgeschiedenis de waarde ja heeft, mag een waarde uit het domein OnvolledigeDatum worden aangeleverd.
De datum ligt niet na het tijdstip registratie object.

Toelichting

Het gegeven komt uit het brondocument dat bij het starten van de registratie is aangeleverd (GMW-Inrichten).

3.0.2 opruimingsdatum put


Naam attribuut

opruimingsdatum put

Definitie

De datum waarop de grondwatermonitoringput geheel of gedeeltelijk uit de ondergrond is verwijderd.

Kardinaliteit

0..1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Datum of OnvolledigeDatum

Waardebereik

1 januari 1889 tot heden

Regels

Alleen wanneer het attribuut met voorgeschiedenis de waarde ja heeft, kan het domein OnvolledigeDatum worden gebruikt. De datum ligt na de inrichtingsdatum put.
De datum ligt niet na het tijdstip voltooiing registratie.

Toelichting

Het gegeven komt uit het brondocument dat bij het beëindigen van de registratie is aangeleverd (GMW-Opruimen).

4.5.4. 3.1 Tussentijdse gebeurtenis

Naam entiteit

Tussentijdse gebeurtenis

Definitie

Een gebeurtenis die na inrichting maar voor opruiming van de grondwatermonitoringput heeft plaatsgevonden.

Kardinaliteit

0..*

Toelichting

Het gegeven komt uit een brondocument dat bij het aanvullen van de registratie is aangeleverd (zie paragraaf 3.4 en het innamehandboek).

3.1.1 naam gebeurtenis


Naam attribuut

naam gebeurtenis

Definitie

De benaming van de tussentijdse gebeurtenis.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

NaamGebeurtenis

Type

Codelijst

3.1.2 datum gebeurtenis


Naam attribuut

datum gebeurtenis

Definitie

De datum waarop de tussentijdse gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Datum of OnvolledigeDatum

Waardebereik

1 januari 1889 tot heden

Regels

Alleen wanneer het attribuut met voorgeschiedenis de waarde ja heeft, mag het domein OnvolledigeDatum worden gebruikt, maar de waarde mag niet gelijk zijn aan onbekend. De datum ligt niet voor de inrichtingsdatum put en niet na de opruimingsdatum put.
De datum ligt niet na het tijdstip laatste aanvulling.

4.5.5. 4 Aangeleverde locatie

Naam entiteit

Aangeleverde locatie

Definitie

De gegevens over de plaats van de grondwatermonitoringput op het aardoppervlak, zoals die zijn aangeleverd aan de registratie ondergrond.

Kardinaliteit

1

Toelichting

De locatie van een grondwatermonitoringput is gedefinieerd als een punt.

4.1 coördinaten


Naam attribuut

coördinaten

Definitie

De coördinaten die zijn aangeleverd.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Coördinatenpaar

Regels

De locatie ligt in Nederland en aan de landzijde van de UNCLOS-basislijn.

4.2 referentiestelsel


Naam attribuut

referentiestelsel

Definitie

Het referentiestelsel van de aangeleverde coördinaten.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Referentiestelsel

Type

Codelijst

Toelichting

Omdat de locatie aan de landzijde van de UNCLOS-basislijn ligt zijn de coördinaten gedefinieerd in RD of ETRS89.



4.3 methode locatiebepaling


Naam attribuut

methode locatiebepaling

Definitie

De werkwijze die is gevolgd voor de bepaling van de plaats op het aardoppervlak.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

MethodeLocatiebepaling

Type

Codelijst

Toelichting

Het gegeven geeft enig inzicht in de nauwkeurigheid waarmee de plaats van de grondwatermonitoringput op het aardoppervlak is bepaald.
Aan de waarden in de codelijst is een nauwkeurigheidsklasse gekoppeld die aangeeft binnen welke marges de bepaalde waarde hoort te vallen. De koppeling tussen methode en klasse is gebaseerd op de praktijk die binnen het werkveld geldt.

4.5.6. 5 Aangeleverde verticale positie

Naam entiteit

Aangeleverde verticale positie

Definitie

De gegevens over de verticale positie van de grondwatermonitoringput.

Kardinaliteit

1

5.1 lokaal verticaal referentiepunt


Naam attribuut

lokaal verticaal referentiepunt

Definitie

Het punt dat voor de grondwatermonitoringput gebruikt is als nulpunt voor verticale posities.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

LokaalVerticaalReferentiepunt = NAP

Type

Codelijst

Toelichting

Binnen het werkveld is er niet voor gekozen het maaiveld of een vast punt in de constructie te gebruiken als nulpunt voor de verticale positie. In plaats daarvan wordt de positie in het verticale vlak gestandaardiseerd op NAP. Vanuit pragmatisch gezichtspunt zou het gegeven als overbodig kunnen worden ervaren. De reden het op te nemen komt voort uit de overweging in de basisregistratie ondergrond te streven naar een uniforme benadering van verticale posities.

5.2 verschuiving


Naam attribuut

verschuiving

Definitie

De verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt t.o.v. het verticaal referentievlak.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Rationaal getal= 0.000

Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

5.3 verticaal referentievlak


Naam attribuut

verticaal referentievlak

Definitie

Het referentieniveau voor de verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

VerticaalReferentievlak= NAP

Type

Codelijst

5.4 maaiveldpositie


Naam attribuut

maaiveldpositie

Definitie

De positie van het maaiveld ten opzichte van het verticaal referentievlak.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Rationaal getal

Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

Waardebereik

-10 tot 325

Regels IMBRO /A

Onder IMBRO/A kan het voorkomen dat de waarde van het gegeven niet bepaald is; in dat geval en alleen in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

Toelichting

De positie van het maaiveld is van belang om de meetpunten in de grondwatermonitoringput in de juiste ruimtelijke context te kunnen plaatsen.

5.5 methode positiebepaling maaiveld


Naam attribuut

methode positiebepaling maaiveld

Definitie

De werkwijze die is gevolgd bij de bepaling van de positie van het maaiveld.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

MethodePositiebepalingMaaiveld

Type

Codelijst

Regels IMBRO /A

Onder IMBRO/A kan het voorkomen dat de maaiveldpositie niet bepaald is; in dat geval en alleen in dat geval heeft dit gegeven de waarde geen.

Toelichting

Het gegeven geeft niet meer dan een globaal inzicht in de nauwkeurigheid van de maaiveldpositie. De reden is dat in de huidige praktijk niet is vastgelegd waar de positie bepaald hoort te worden. Sommige uitvoerders meten op één punt direct naast de put, anderen doen een aantal metingen rond de put en bepalen het gemiddelde.

4.5.7. 6 Gestandaardiseerde locatie

Naam entiteit

Gestandaardiseerde locatie

Definitie

De gegevens over de plaats van de grondwatermonitoringput op het aardoppervlak zoals die door de basisregistratie ondergrond zijn getransformeerd.

Kardinaliteit

1

Toelichting

De gegevens staan niet in een brondocument. De gestandaardiseerde locatie wordt door de basisregistratie ondergrond berekend ten behoeve van afnemers. Het maakt het mogelijk alle gegevens in de registratie ondergrond in een en hetzelfde referentiestelsel te ontsluiten. De locatie van de grondwatermonitoringput is gedefinieerd als een punt.

6.1 coördinaten


Naam attribuut

coördinaten

Definitie

De coördinaten in het standaard referentiestelsel.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Coördinatenpaar

6.2 referentiestelsel


Naam attribuut

referentiestelsel

Definitie

Het referentiestelsel van de gestandaardiseerde coördinaten.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Referentiestelsel= ETRS89

Type

Codelijst

6.3 coördinaattransformatie


Naam attribuut

coördinaattransformatie

Definitie

De methode die de basisregistratie ondergrond heeft gebruikt voor het omzetten van de aangeleverde coördinaten.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Coördinaattransformatie

Type

Codelijst

4.5.8. 7.0 Monitoringbuis

Naam entiteit

Monitoringbuis

Definitie

Een buis die is aangebracht om het grondwater uit een specifiek deel van de ondergrond te ontsluiten.

Kardinaliteit

1..*

Regels

Het aantal keren dat de entiteit voorkomt wordt bepaald door het gegeven aantal monitoringbuizen.

Toelichting

In het geval monitoring zich richt op het meest ondiepe, het freatische grondwater, bevat een put over het algemeen maar één buis.

7.0.1 buisnummer


Naam attribuut

buisnummer

Definitie

Het nummer dat door of voor de bronhouder wordt gebruikt om de monitoringbuis in de grondwatermonitoringput te identificeren.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Nummer

Maximale lengte

3

Regels

Het buisnummer is uniek binnen de grondwatermonitoringput.

Toelichting

Binnen het werkveld is het gebruikelijk het buisnummer te laten oplopen met de verticale positie van het filter: hoe dieper het filter des te hoger het nummer. Afwijkingen op de regel komen voor, bijvoorbeeld wanneer bepaalde nummers toegewezen zijn aan reservebuizen.

7.0.2 buistype


Naam attribuut

buistype

Definitie

De binnen het werkveld gebruikelijke naam voor de categorie waartoe de buis op grond van zijn eigenschappen hoort.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Buistype

Type

Codelijst

Toelichting

Een buis van het type minifilter wordt alleen gebruikt voor grondwater-samenstellingsonderzoek. Zon minifilter heeft een zeer kort filterdeel en een flexibele slang als stijgbuisdeel.

7.0.3 voorzien van drukdop


Naam attribuut

voorzien van drukdop

Definitie

De aanduiding die aangeeft of de monitoringbuis voorzien is van een drukdop.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

IndicatieJaNee

Domein IMBRO/A

IndicatieJaNeeOnbekend

Type

Enumeratie

Toelichting

Een drukdop sluit de monitoringbuis aan de bovenkant af en wordt gebruikt bij buizen die geplaatst zijn in watervoerende pakketten die onder druk staan (artesisch grondwater). Zonder dop zou de buis kunnen overstromen.

Bij het uitvoeren van grondwaterstandmetingen wordt vaak een opzetstuk gebruikt. Het opzetstuk vormt geen onderdeel van de monitoringbuis.

7.0.4 voorzien van zandvang


Naam attribuut

voorzien van zandvang

Definitie

De aanduiding die aangeeft of de monitoringbuis voorzien is van een zandvang.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

IndicatieJaNee

Domein IMBRO/A

IndicatieJaNeeOnbekend

Type

Enumeratie

Toelichting

De zandvang bevindt zich onder het filter en dient als opvang voor het sediment dat via het filter de buis in komt.

7.0.5 aantal geo-ohmkabels


Naam attribuut

aantal geo-ohmkabels

Definitie

Het aantal geo-ohmkabels dat aan de buis bevestigd is

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Aantal

Maximale lengte

2

Waardebereik

0 tot 10

7.0.6 buisdeel ingeplaatst

Naam attribuut

buisdeel ingeplaatst

Definitie

De aanduiding die aangeeft of er in de monitoringbuis een nieuw stijgbuisdeel is geplaatst.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

IndicatieJaNee

Type

Enumeratie

Toelichting

Het gegeven staat niet in een brondocument. De basisregistratie ondergrond kent automatisch de juiste waarde aan het attribuut toe. Bij het starten van de registratie krijgt het gegeven de waarde nee. Wanneer later het brondocument GMW-Inplaatsen wordt aangeleverd verandert de waarde in ja.

Het inplaatsen van een nieuw stijgbuisdeel is de enige gebeurtenis die tot een verandering in de constructie van een grondwatermonitoringput leidt. De ingreep wordt gedaan wanneer het bestaande stijgbuisdeel lekkage vertoont. Men plaatst een nieuw stijgbuisdeel in de monitoringbuis dat aansluit op het bestaande filter. De ruimte tussen het oude en het nieuwe stijgbuisdeel wordt vlak boven het filter afgedicht.

7.0.7 diameter bovenkant buis


Naam attribuut

diameter bovenkant buis

Definitie

De binnendiameter van de bovenkant van de monitoringbuis.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Natuurlijk getal

Maximale lengte

4

Eenheid

mm (millimeter)

Waardebereik

3 tot 1000

Regels IMBRO/A

Onder IMBRO/A kan het voorkomen dat de waarde van het gegeven niet bepaald is; in dat geval en alleen in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

Toelichting

De diameter van een monitoringbuis is het grootst aan de bovenkant. Het gegeven vertelt of er een drukopnemer in de buis kan worden geplaatst. Ook geeft het enige informatie over de toestroomsnelheid van het grondwater, omdat het de bovengrens bepaalt voor de diameter van het filter.

7.0.8 variabele diameter


Naam attribuut

variabele diameter

Definitie

De aanduiding die aangeeft of de diameter van de monitoringbuis over de gehele lengte hetzelfde is.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

IndicatieJaNee

Domein IMBRO/A

IndicatieJaNeeOnbekend

Type

Enumeratie

Toelichting

De meeste buizen hebben over de hele lengte dezelfde diameter. Wanneer dat niet het geval is, is het niet nodig gevonden de variatie in diameter in detail vast te leggen, maar volstaat het aan te geven dat de diameter varieert.

7.0.9 buisstatus


Naam attribuut

buisstatus

Definitie

De toestand die aangeeft of de buis gebruikt kan worden voor grondwatermonitoring.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Buisstatus

Type

Codelijst

7.0.10 positie bovenkant buis


Naam attribuut

positie bovenkant buis

Definitie

De verticale positie van de bovenkant van de monitoringbuis.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Rationaal getal

Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

Waardebereik

-10 tot 325

7.0.11 methode positiebepaling bovenkant buis


Naam attribuut

methode positiebepaling bovenkant buis

Definitie

De methode die gebruikt is om de positie van de bovenkant buis te bepalen.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

MethodePositiebepalingBovenkantBuis

Type

Codelijst

Toelichting

Het gegeven geeft enig inzicht in de nauwkeurigheid van de bepaling.

7.0.12 buis in gebruik


Naam attribuut

buis in gebruik

Definitie

De aanduiding die aangeeft of het filter van de monitoringbuis een actueel meetpunt vormt in een grondwatermonitoringnet.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

IndicatieJaNeeOnbekend

Type

Enumeratie

Toelichting

Het gegeven staat niet in een brondocument. De basisregistratie ondergrond kent de juiste waarde automatisch toe. Bij het starten van de registratie wordt de waarde onbekend toegekend. Een verandering in de waarde wordt gestuurd vanuit het registratieobject grondwatermonitoringnet. Zolang er geen grondwatermonitoringnetten in de registratie ondergrond zijn opgenomen, houdt het gegeven de waarde onbekend.

4.5.9. 7.1 Toegepast materiaal

Naam entiteit

Toegepast materiaal

Definitie

De materialen die gebruikt zijn voor de monitoringbuis en de vulling van de ruimte in de put rond de buis.

Kardinaliteit

1

Toelichting

De gebruikte materialen kunnen invloed hebben op de samenstelling van het bemonsterde grondwater.

7.1.1 aanvulmateriaal buis


Naam attribuut

aanvulmateriaal buis

Definitie

Het materiaal waarmee de ruimte in de put rond de monitoringbuis is opgevuld.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

AanvulmateriaalBuis

Type

Codelijst

7.1.2 buismateriaal


Naam attribuut

buismateriaal

Definitie

De materialen waaruit de monitoringbuis bestaat.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Buismateriaal

Type

Codelijst

7.1.3 lijm


Naam attribuut

lijm

Definitie

De lijm die gebruikt is om de delen van de monitoringbuis met elkaar te verbinden.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Lijm

Type

Codelijst

Toelichting

Lange monitoringbuizen bestaan uit delen die op verschillende manieren met elkaar worden verbonden. Verlijming is een van de manieren.

4.5.10. 7.2 Filter

Naam entiteit

Filter

Definitie

Het deel van de monitoringbuis dat voorzien is van openingen waardoor het grondwater kan binnenstromen.

Kardinaliteit

1

Toelichting

Het filter kan over zijn gehele lengte van openingen zijn voorzien, maar ook over bepaalde intervallen. In het laatste geval wordt in het werkveld gesproken over geperforeerde en blinde delen. Monitoringbuizen die van een filter met blinde delen zijn voorzien komen vooral voor in putten die ontworpen zijn als brand- of onttrekkingsput en pas na verloop van tijd voor grondwatermonitoring in gebruik zijn genomen.
In de werkelijkheid kwamen er vroeger ook buizen zonder filter voor. Die zijn gemodelleerd als een buis met een filter met lengte 0.

7.2.1 filterlengte


Naam attribuut

filterlengte

Definitie

De lengte van het deel van de monitoringbuis dat als filter dient.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Rationaal getal

Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

Waardebereik

0.1 tot 100

Regels IMBRO/A

In het geval het attribuut buistype de waarde filterlozeBuis heeft, is de waarde van het gegeven 0.

Toelichting

In het geval de grondwatermonitoringput een put met voorgeschiedenis is, bestaat de kans dat de waarde van het gegeven op een deskundige schatting berust. In het systeem DINO bijvoorbeeld was de filterlengte niet consequent vastgelegd.

7.2.2 kousmateriaal


Naam attribuut

kousmateriaal

Definitie

Het materiaal waaruit de filterkous bestaat.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Kousmateriaal

Type

Codelijst

Toelichting

De filterkous is de naam voor de fijnmazige bekleding die aan de buitenzijde van het filter wordt aangebracht om de instroom van fijnkorrelig sediment te voorkomen.

7.2.3 positie bovenkant filter


Naam attribuut

positie bovenkant filter

Definitie

De verticale positie van de bovenkant van het filter.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Rationaal getal

Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

Waardebereik

-750 tot 325

Toelichting

Het gegeven staat niet in een brondocument. De basisregistratie ondergrond berekent de waarde aan de hand van de volgende formule:
positie bovenkant filter= positie bovenkant buis – lengte stijgbuisdeel.

In het geval de grondwatermonitoringput een put met voorgeschiedenis is, bestaat de kans dat de waarde van het gegeven op een deskundige schatting achteraf berust. In de registratie DINO bijvoorbeeld was de positie van de bovenkant van het filter t.o.v. NAP niet consequent vastgelegd.

7.2.4 positie onderkant filter


Naam attribuut

positie onderkant filter

Definitie

De verticale positie van de onderkant van het filter.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Rationaal getal

 Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

Waardebereik

-750 tot 325

Toelichting

Het gegeven staat niet in een brondocument. De basisregistratie ondergrond berekent de waarde aan de hand van de volgende formule:
positie onderkant filter= positie bovenkant buis – (lengte stijgbuisdeel + filterlengte).

In het geval de grondwatermonitoringput een put met voorgeschiedenis is, bestaat de kans dat de waarde van het gegeven op een deskundige schatting achteraf berust. In de registratie DINO bijvoorbeeld was de positie van de onderkant van het filter t.o.v. NAP niet consequent vastgelegd.

4.5.11. 7.3 Stijgbuisdeel

Naam entiteit

Stijgbuisdeel


Definitie

Het deel van de monitoringbuis dat dient om het grondwater op te vangen dat via het filter binnenstroomt.


Kardinaliteit

1


Toelichting

Het stijgbuisgedeelte is het deel van de monitoringbuis boven het filter. Dit deel ontleent zijn naam aan het verschijnsel dat het water boven het filter uitstijgt totdat de waterdruk en de luchtdruk met elkaar in evenwicht zijn. Soms is de waterdruk zo hoog dat het gevaar bestaat dat het water de buis uitstroomt en om dat te voorkomen wordt de buis voorzien van een drukdop.
De stijgbuis kan uit delen zijn opgebouwd, maar die details worden niet vastgelegd in de basisregistratie ondergrond.
In de werkelijkheid komen er ook buizen zonder stijgbuisdeel voor. Die zijn gemodelleerd als een buis met een stijgbuisdeel met lengte 0.


7.3.1 lengte stijgbuisdeel



Naam attribuut

lengte stijgbuisdeel


Definitie

De lengte van het stijgbuisdeel van de monitoringbuis


Kardinaliteit

1


Authentiek

Ja


Dynamisch

Ja


Domein

Rationaal getal


Maximale lengte

3.3


Eenheid

m (meter)


Waardebereik

0.1 tot 750


Regels

In het geval het attribuut buistype de waarde volledigFilter heeft, is de waarde van het gegeven 0.

Toelichting

De lengte van een stijgbuisdeel kan tijdens de levensduur van een put veranderen, doordat de buis opgelengd of ingekort wordt.


4.5.12. 7.4 Zandvang

Naam entiteit

Zandvang

Definitie

Het deel van de monitoringbuis dat dient om het sediment op te vangen dat via het filter de buis in komt.

Kardinaliteit

0..1

Regels

Het al dan niet voorkomen van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut voorzien van zandvang van de entiteit Monitoringbuis.

Toelichting

Een monitoringbuis die voorzien is van een zandvang vergt minder onderhoud. De lengte van de zandvang is van belang om te bepalen hoe vaak onderhoud nodig is.


7.4.1 zandvanglengte


Naam attribuut

zandvanglengte

Definitie

De lengte van de zandvang.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Rationaal getal

Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

Waardebereik

0.05 tot niet-gespecificeerd

4.5.13. 7.5 Geo-ohmkabel

Naam entiteit

Geo-ohmkabel

Definitie

Het instrument dat aan een monitoringbuis is bevestigd om de elektrische geleidbaarheid van het grondwater te kunnen bepalen.

Kardinaliteit

0..*

Regels

Het aantal keren dat de entiteit voorkomt wordt bepaald door het gegeven aantal geo-ohmkabels.

Toelichting

Een geo-ohmkabel wordt bij inrichting van de put op een aantal punten aan een monitoringbuis bevestigd. De posities van de elektrodes ten opzichte van de buis zijn daarmee gefixeerd.

7.5.1 kabelnummer


Naam attribuut

kabelnummer

Definitie

Het nummer dat door of voor de bronhouder wordt gebruikt om de geo-ohmkabel van een monitoringbuis te identificeren.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Nummer

Maximale lengte

2

Regels

Het kabelnummer is uniek voor de monitoringbuis.

Toelichting

Gewoonlijk volstaat één geo-ohmkabel voor het bepalen van de geleidbaarheid van het grondwater dat in de put ontsloten is. In de volgende gevallen wordt een put van meer kabels voorzien: (1) de afstand tussen de elektrodes is groter dan gewenst; door twee kabels verspringend op te hangen wordt de juiste onderlinge afstand verkregen;
(2) het aantal elektrodes bepaalt de dikte van een kabel; wanneer het aantal elektrodes te groot is voor een acceptabele dikte, verdeelt men de elektrodes over meer kabels.

7.5.2 kabel in gebruik


Naam attribuut

kabel in gebruik

Definitie

De aanduiding die aangeeft of de geo-ohmkabel een of meer actuele meetpunten levert in een grondwatermonitoringnet.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

IndicatieJaNeeOnbekend

Type

Enumeratie

Toelichting

Het gegeven staat niet in een brondocument. De basisregistratie ondergrond kent de juiste waarde automatisch toe. Bij het starten van de registratie wordt de waarde onbekend toegekend. Een verandering in de waarde wordt gestuurd vanuit het registratieobject grondwatermonitoringnet. Zolang er geen grondwatermonitoringnetten in de registratie ondergrond zijn opgenomen, houdt het gegeven de waarde onbekend.

4.5.14. 7.6 Elektrode

Naam entiteit

Elektrode

Definitie

Een geleider die in het stroomcircuit ter bepaling van de elektrische geleidbaarheid gebruikt wordt om contact te maken met het grondwater.

Kardinaliteit

2..*

Toelichting

In oudere typen geo-ohmkabels vormen twee elektrodes een vast paar met een relatief kleine onderlinge afstand (enkele dm). Meer moderne kabels kennen deze beperking niet, doordat over elke combinatie van twee elektroden gemeten kan worden.

7.6.1 elektrodenummer


Naam attribuut

elektrodenummer

Definitie

Het nummer dat door of voor de bronhouder wordt gebruikt om de elektrode in de geo-ohmkabel te identificeren.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Nummer

 Maximale lengte

3

Regels

Het elektrodenummer is uniek binnen de geo-ohmkabel.

Toelichting

Bij aanwezigheid van meerdere geo-ohmkabels worden elektrodes soms doorgenummerd, zodat deze uniek binnen een put zijn.

7.6.2 aanvulmateriaal elektrode


Naam attribuut

aanvulmateriaal elektrode

Definitie

Het materiaal waarmee de ruimte in de put ter plaatse van de elektrode is opgevuld.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

AanvulmateriaalElektrode

Type

Codelijst

Toelichting

De codelijst voor het domein is nog niet stabiel en moet uiteindelijk zijn toegespitst op de relevantie voor het meten van de geleidbaarheid.

7.6.3 elektrodestatus


Naam attribuut

elektrodestatus

Definitie

De toestand die aangeeft of de elektrode gebruikt kan worden voor grondwatermonitoring.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

StatusElektrode

Type

Codelijst

Toelichting

Anders dan bij monitoringbuizen komt het niet voor dat een kabel buiten gebruik wordt gesteld.

7.6.4 elektrodepositie


Naam attribuut

elektrodepositie

Definitie

De verticale positie van de elektrode.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Ja

Domein

Rationaal getal

Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

Waardebereik

-200 tot 50

Toelichting

De positie van een elektrode wordt nooit direct bepaald. Bij inrichting van de grondwatermonitoringput wordt de positie afgeleid van de positie van de bovenkant van de buis. De positie verandert als de verticale positie van de monitoringbuis als geheel verandert. Bij het aanleveren van een nieuw ingemeten positie voor de bovenkant van een monitoringbuis, wordt de nieuwe waarde voor de elektrodepositie door de BRO berekend.

4.5.15. 7.7 Ingeplaatst deel

Naam entiteit

Ingeplaatst deel

Definitie

Een stijgbuis die in de monitoringbuis is geplaatst en de functie van het oorspronkelijke stijgbuisdeel overneemt.

Kardinaliteit

0..1

Regels

Het al dan niet voorkomen van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut buisdeel ingeplaatst van de entiteit Monitoringbuis.

Toelichting

Het inplaatsen van een buisdeel gebeurt altijd na inrichting van een grondwatermonitoringput. De gegevens staan in het brondocument GMW-Inplaatsen.

7.7.1 lengte ingeplaatst deel


Naam attribuut

lengte ingeplaatst deel

Definitie

De lengte van het ingeplaatste stijgbuisdeel.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Rationaal getal

 Maximale lengte

3.3

Eenheid

m (meter)

Waardebereik

50 tot 200

Toelichting

De lengte is niet als een dynamisch gegeven gedefinieerd, hoewel het theoretisch mogelijk is dat de lengte in de loop van de tijd verandert. De keuze is ingegeven door de overweging dat de kans dat een ingeplaatste buis verlengd of ingekort wordt miniem is, omdat het inplaatsen zelf al een hoogst uitzonderlijke gebeurtenis is.

7.7.2 diameter bovenkant ingeplaatst deel


Naam attribuut

diameter bovenkant ingeplaatst deel

Definitie

De binnendiameter van de bovenkant van het ingeplaatste stijgbuisdeel.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Natuurlijk getal

Maximale lengte

2

Eenheid

mm (millimeter)

Waardebereik

20 tot 50

Regels

De waarde van het gegeven is kleiner dan de diameter bovenkant buis.

Toelichting

De diameter van het ingeplaatste buisdeel heeft geen invloed op de toestroomsnelheid van het grondwater omdat de oorspronkelijke diameter van het filter niet verandert.

7.7.3 materiaal ingeplaatst deel


Naam attribuut

Materiaal ingeplaatst deel

Definitie

Het materiaal waaruit de ingeplaatste stijgbuis bestaat.

Kardinaliteit

1

Authentiek

Ja

Dynamisch

Nee

Domein

Buismateriaal

Type

Codelijst

5. Beschrijving van de enumeraties en codelijsten

5.1. Enumeraties


IndicatieJaNee

Waarde

Ja

nee


IndicatieJaNeeOnbekend

Waarde

Ja

nee

onbekend


Kwaliteitsregime

Waarde

IMBRO

IMBRO/A

5.2. Codelijsten

AanvulmateriaalBuis

Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

bentoniet

Als aanvulmateriaal is bentoniet gebruikt.

bentonietFiltergrind

Als aanvulmateriaal is bentoniet en filtergrind gebruikt.

boorgatmateriaal

Als aanvulmateriaal is opgeboord materiaal gebruikt.

filtergrind

Als aanvulmateriaal is filtergrind gebruikt.

grind

Als aanvulmateriaal is grind gebruikt, waarbij onbekend is welk type grind het betreft.

grout

Als aanvulmateriaal is grout gebruikt.

onbekend


Het is onbekend welk type aanvulmateriaal is gebruikt.





AanvulmateriaalElektrode




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

filtergrind

Als aanvulmateriaal is filtergrind gebruikt.

klei

Als aanvulmateriaal is klei gebruikt.

zand

Als aanvulmateriaal is zand gebruikt.

onbekend


Het is onbekend welk type aanvulmateriaal is gebruikt.





Beschermconstructie




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

geen

De put is niet voorzien van een beschermconstructie.

kokerMetaal

De put is voorzien van een uitstekende beschermkoker die van metaal is, waardoor de put niet bruikbaar is voor telemetrie.

kokerNietMetaal

De put is voorzien van een uitstekende beschermkoker die niet van metaal is, waardoor de put in dat opzicht bruikbaar is voor telemetrie.

potNietWaterdicht

De put is voorzien van een vlakke beschermconstructie die nagenoeg samenvalt met het maaiveld en die niet water- of algemener gesteld vloeistofdicht is.

potWaterdicht

De put is voorzien van een vlakke beschermconstructie die nagenoeg samenvalt met het maaiveld en die water- of algemener gesteld vloeistofdicht is.

koker


De put is voorzien van een beschermkoker, waarbij onbekend is of deze van metaal is of niet.

onbekend


Het is onbekend of de put voorzien is van een beschermconstructie.

pot


De put is voorzien van een vlakke beschermconstructie die nagenoeg samenvalt met het maaiveld, waarbij onbekend is of deze waterdicht is of niet.





Buismateriaal




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

beton

De buis bestaat uit beton.

gres

De buis bestaat uit gres.

hout

De buis bestaat uit hout.

ijzer

De buis bestaat uit ijzer.

koper

De buis bestaat uit koper.

messing

De buis bestaat uit messing.

pe

De buis bestaat uit polyethyleen, waarbij onbekend is of het high density of low density polyethyleen betreft.

peHighDensity

De buis bestaat uit high density polyethyleen.

peLowDensity

De buis bestaat uit low density polyethyleen.

pePvc

De buis bestaat uit polyethyleen en pvc, waarbij waarbij onbekend is of het high density of low density polyethyleen betreft.

pvc

De buis bestaat uit polyvinylchloride.

staal

De buis bestaat uit staal, waarbij onbekend is welk type staal het betreft.

staalGegalvaniseerd

De buis bestaat uit gegalvaniseerd staal.

staalRoestvrij

De buis bestaat uit roestvrij staal.

teflon

De buis bestaat uit teflon.

asbest


De buis bestaat uit asbest.

houtStaal


De buis bestaat uit hout en staal.

koperStaal


De buis bestaat uit koper en staal.

onbekend


Het is onbekend uit welk type materiaal de buis bestaat.

pvcStaal


De buis bestaat uit pvc en staal.





Buisstatus




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

onbruikbaar

De buis is nooit meer bruikbaar voor grondwatermonitoring.

gebruiksklaar

De buis is klaar voor grondwatermonitoring.

nietGebruiksklaar

De buis is niet klaar voor grondwatermonitoring.

onbekend


Het is onbekend wat de status van de buis is.





Buistype




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

minifilter

De monitoringbuis bestaat uit een zeer kort filterdeel en een stijgbuisdeel dat uit een flexibele slang bestaat. Het minifilter is daarom uitsluitend geschikt voor grondwatersamenstellingsonderzoek.

standaardbuis

De monitoringbuis heeft de standaardopbouw van stijgbuisdeel, filterdeel en eventueel een zandvang.

volledigFilter

De monitoringbuis is in zijn geheel een filter.

filterlozeBuis


De monitoringbuis is in zijn geheel een stijgbuisdeel, met een open onderkant.





CoördinaatTransformatie




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

nietGetransformeerd

De gegevens zijn aangeleverd in ETRS89; transformatie was niet nodig.

RDNAPTRANS2008

De gegevens zijn getransformeerd van RD naar ETRS89, gebruikmakend van de transformatie RDNAPTRANS™, versie 2008. RDNAPTRANS™ is de officiële transformatie tussen RD/NAP en ETRS89 afkomstig van het Kadaster.

RDNAPTRANS2008MV0


De gegevens zijn getransformeerd van RD naar ETRS89, gebruikmakend van de transformatie RDNAPTRANS™, versie 2008. De positie van het aardoppervlak is onbekend, bij transformatie is uitgegaan van 0 m NAP.RDNAPTRANS™ is de officiële transformatie tussen RD/NAP en ETRS89 afkomstig van het Kadaster.





Elektrodestatus




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

gebruiksklaar

De elektrode is klaar voor het doen van metingen.

nietGebruiksklaar

De elektrode is niet klaar voor het doen van metingen.

onbekend


Het is onbekend wat de status van de elektrode is.





InitiëleFunctie




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

brandput

De put is initiëel ingericht voor het onttrekken van bluswater.

kwaliteit

De put is initiëel ingericht voor het monitoring van de grondwatersamenstelling.

kwaliteitStand


stand

De put is initiëel ingericht voor het monitoring van de grondwaterstand.

onttrekking

De put is initiëel ingericht voor grondwateronttrekking.

onbekend


Het is onbekend voor welke functie de put initiëel is ingericht.





KaderAanlevering




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

publiekeTaak

De gegevens zijn aangeleverd in het kader van de publieke taakuitvoering, zonder nadere specificering.

GBM

De gegevens zijn aangeleverd in het kader van de wet gewasbeschermings-middelen en biociden

KRW

De gegevens zijn aangeleverd in het kader van de kaderrichtlijn water.

NBW

De gegevens zijn aangeleverd in het kader van de wet natuurbescherming.

NR

De gegevens zijn aangeleverd in het kader van de nitraatrichtlijn.

OGW

De gegevens zijn aangeleverd in het kader van de ontgrondingenwet

OW

De gegevens zijn aangeleverd in het kader van de omgevingswet.

WW

De gegevens zijn aangeleverd in het kader van de waterwet.

archiefoverdracht


De gegevens zijn aangeleverd in het kader van archiefoverdracht.

Kousmateriaal

Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

geen

Er is geen filterkous aanwezig.

nylon

Het filter is voorzien van een filterkous van nylon.

pp

Het filter is voorzien van een filterkous van polypropyleen.

onbekend


Het is onbekend of een filterkous is gebruikt.

KwaliteitsnormInrichting

Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

IBR

De put is ingericht conform de richtlijnen van het Ingenieursbureau Rotterdam.

NEN5104

De put is ingericht conform NEN5104.

NEN5744

De put is ingericht conform NEN5744.

NEN5766

De put is ingericht conform NEN5766.

RWSgwmon

De put is ingericht volgens de richtlijn Rijkswaterstaat Normen voor grondwatermonitoring.

BWsb

De put is ingericht conform de richtlijnen in het standaardbestek van Brabant Water.

VKB2001

De put is ingericht conform VKB protocol 2001.

STOWAgwst

De put is ingericht conform het STOWA Handboek meten van grondwaterstanden in peilbuizen.

geen

Er is geen kwaliteitsnorm gebruikt.

onbekend


Het is onbekend of een kwaliteitsnorm is gebruikt bij inrichting van de put.

Lijm

Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

geen

Er is geen verlijming toegepast in de buis.

ongespecificeerd

Er is verlijming toegepast in de buis maar de gebruikte lijmsoort is niet gespecificeerd.

onbekend


Het is onbekend of verlijming is toegepast.





LokaalVerticaalReferentiepunt




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

NAP

Normaal Amsterdams Peil





MethodeLocatiebepaling




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

DGPS50tot200cm

Meting d.m.v. Differential Global Positioning System, afwijking tussen 50 en 200 centimeter.

GPS200tot1000cm

Meting d.m.v. Global Positioning System, afwijking tussen 200 en 1000 centimeter.

RTKGPS0tot2cm

Meting d.m.v. Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, afwijking kleiner dan 2 centimeter.

RTKGPS2tot5cm

Meting d.m.v. Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, afwijking tussen 2 en 5 centimeter.

RTKGPS5tot10cm

Meting d.m.v. Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, afwijking tussen 5 en 10 centimeter.

RTKGPS10tot50cm

Meting d.m.v. Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, zonder fix, afwijking tussen 10 en 50 centimeter.

tachymetrie0tot10cm

Meting d.m.v. tachymetrie, ook wel als landmeting of Total Station aangeduid, vanaf een referentiepunt dat geen NAP-peilmerk is, afwijking kleiner dan 10 centimeter.

tachymetrie10tot50cm

Meting d.m.v. tachymetrie, ook wel als landmeting of Total Station aangeduid, vanaf een referentiepunt dat geen NAP-peilmerk is, afwijking tussen 10 en 50 centimeter.

GBKNOnbekend


Locatie bepaald aan de hand van de grootschalige basiskaart van Nederland (tegenwoordig BGT), afwijking onbekend.

GPSOnbekend


Meting d.m.v. Global Positioning System, afwijking onbekend.

kaartOnbekend


Locatie bepaald aan de hand van niet-digitale kaart, afwijking onbekend.

onbekend


Het is onbekend op welke manier en met welke afwijking de locatie bepaald is.





MethodePositiebepalingBovenkantBuis




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

afgeleidSbl

De positie bovenkant buis is afgeleid van de lengtewijziging van het stijgbuisdeel.

AHN2

Positie bepaald d.m.v. Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 2 van 2007-2012.

AHN3

Positie bepaald m.b.v. Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3 van 2014-2019.

RTKGPS0tot4cm

Meting d.m.v. Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, afwijking kleiner dan 4 centimeter.

RTKGPS4tot10cm

Meting d.m.v. Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, afwijking tussen 4 en 10 centimeter.

RTKGPS10tot20cm

Meting d.m.v. Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, zonder fix, afwijking tussen 10 en 20 centimeter.

RTKGPS20tot100cm

Meting d.m.v. Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, zonder fix, afwijking tussen 20 en 100 centimeter.

tachymetrie0tot10cm

Meting d.m.v. tachymetrie, ook wel als landmeting of Total Station aangeduid, vanaf een referentiepunt dat geen NAP-peilmerk is, afwijking kleiner dan 10 centimeter.

tachymetrie10tot50cm

Meting d.m.v. tachymetrie, ook wel als landmeting of Total Station aangeduid, vanaf een referentiepunt dat geen NAP-peilmerk is, afwijking tussen 10 en 50 centimeter.

waterpassing0tot2cm

Meting d.m.v. waterpassing vanaf een NAP-peilmerk, afwijking kleiner dan 2 centimeter.

waterpassing2tot4cm

Meting d.m.v. waterpassing vanaf een NAP-peilmerk, afwijking tussen 2 en 4 centimeter.

waterpassing4tot10cm

Meting d.m.v. waterpassing vanaf een NAP-peilmerk, afwijking tussen 4 en 10 centimeter.

AHN1


Positie bepaald m.b.v. Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 1 van 1996-2003.

GPSOnbekend


Meting d.m.v. Global Positioning System, afwijking onbekend.

kaartOnbekend


Positie bepaald aan de hand van niet-digitale kaart, afwijking onbekend.

onbekend


Het is onbekend op welke manier en met welke afwijking de positie bovenkant buis bepaald is.





MethodePositiebepalingMaaiveld




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

AHN2

Positie bepaald d.m.v. Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 2 van 2007-2012.

AHN3

Positie bepaald m.b.v. Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3 van 2014-2019.

RTKGPS0tot4cm

Meting dmv Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, afwijking kleiner dan 4 centimeter.

RTKGPS4tot10cm

Meting dmv Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, afwijking tussen 4 en 10 centimeter.

RTKGPS10tot20cm

Meting dmv Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, zonder fix, afwijking tussen 10 en 20 centimeter.

RTKGPS20tot100cm

Meting dmv Real Time Kinematic GPS, ook wel als DGPS aangeduid, zonder fix, afwijking tussen 20 en 100 centimeter.

tachymetrie0tot10cm

Meting d.m.v. tachymetrie, ook wel als landmeting of Total Station aangeduid, vanaf een referentiepunt dat geen NAP-peilmerk is, afwijking kleiner dan 10 centimeter.

tachymetrie10tot50cm

Meting d.m.v. tachymetrie, ook wel als landmeting of Total Station aangeduid, vanaf een referentiepunt dat geen NAP-peilmerk is, afwijking tussen 10 en 50 centimeter.

waterpassing0tot2cm

Meting d.m.v. waterpassing vanaf een NAP-peilmerk, afwijking kleiner dan 2 centimeter.

waterpassing2tot4cm

Meting d.m.v. waterpassing vanaf een NAP-peilmerk, afwijking tussen 2 en 4 centimeter.

waterpassing4tot10cm

Meting d.m.v. waterpassing vanaf een NAP-peilmerk, afwijking tussen 4 en 10 centimeter.

AHN1


Positie bepaald m.b.v. Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 1 van 1996-2003.

geen


Er is geen maaiveldpositie bepaald.

GPSOnbekend


Meting dmv Global Positioning System, afwijking onbekend.

kaartOnbekend


Maaiveldpositie bepaald aan de hand van niet-digitale kaart, afwijking onbekend.

onbekend


Het is onbekend op welke manier en met welke afwijking de maaiveldpositie bepaald is.





NaamGebeurtenis




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

beschermconstructieVeranderd

Het aanbrengen van een beschermconstructie of het vervangen van de bestaande door een ander type.

buisdeelIngeplaatst

Het repareren van een specifieke monitoringbuis door het inplaatsen van een stijgbuisdeel met een kleinere diameter.

buisIngekort

De lengte van het stijgbuisdeel van één of meer monitoringbuizen is gewijzigd door het inkorten ervan, eventueel in combinatie met het aanbrengen van een beschermconstructie of het vervangen van de bestaande door een ander type.

buisOpgelengd

De lengte van het stijgbuisdeel van één of meer monitoringbuizen is gewijzigd door het oplengen ervan, eventueel in combinatie met het aanbrengen van een beschermconstructie of het vervangen van de bestaande door een ander type.

buisstatusVeranderd

Van één of meer buizen in een grondwatermonitoringput is vastgesteld dat de (fysieke) status veranderd is.

eigenaarVeranderd

De eigenaar van de grondwatermonitoringput is veranderd.

elektrodestatusVeranderd

Van één of meer elektrodes is vastgesteld dat de (fysieke) status veranderd is.

maaiveldVerlegd

Het maaiveld bij de put is gewijzigd door ophoging of afgraving, en is daarom opnieuw vastgesteld.

nieuweBepalingMaaiveld

De maaiveldpositie bij de put is mogelijk veranderd door een natuurlijk proces en is daarom opnieuw vastgesteld.

nieuweBepalingPosities

De posities van de put en het maaiveld zijn mogelijk veranderd door een natuurlijk proces en zijn daarom opnieuw vastgesteld.

onderhouderVeranderd

De onderhoudende instantie van de grondwatermonitoringput is gewijzigd.





Putstabiliteit




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

instabiel

De put beweegt in gelijke of ongelijke mate mee met het maaiveld.

stabielNAP

De put beweegt niet mee met een veranderend maaiveld.

onbekend


Of en hoe de put beweegt met een verandering van de maaiveldpositie is onbekend.





Referentiestelsel




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

ETRS89

European Terrestrial Reference System 1989 (EPSG 4258).

RD

Rijks Driehoeksmeting – Amersfoort RD New (EPSG 28992).





Registratiestatus




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

geregistreerd

Het registeren van de gegevens van het object is gestart. De gegevens uit het eerste brondocument zijn in de registratie ondergrond vastgelegd. Er zijn daarna geen nieuwe gegevens geregistreerd.

aangevuld

Het registeren van de gegevens van het object heeft na de start van de registratie een vervolg gekregen. De gegevens in de registratie ondergrond zijn minimaal een keer aangevuld met nieuwe gegevens.

voltooid

Het registeren van de gegevens van het object is voltooid. Alle gegevens zijn in de registratie ondergrond vastgelegd en er kunnen geen nieuwe gegevens meer worden geregistreerd.





VerticaalReferentievlak




Waarde

IMBRO

IMBRO/A

Omschrijving

NAP

Normaal Amsterdams Peil